Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen, ondanks een eerdere uitspraak van de rechtbank die verweerder een beslistermijn tot 28 mei 2025 gaf.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt op grond van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak een nieuwe beslistermijn van twee weken op, aangezien meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het verstrijken van de wettelijke beslistermijn.
Verweerder had verzocht rekening te houden met een hoorzitting bij de Bezwaarschriftenadviescommissie, maar deze vond meer dan twee maanden geleden plaats, waardoor geen reden is voor een langere termijn.
De rechtbank legt een dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500 en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak is gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande en griffier M.R. Jouvenaar op 17 februari 2026 en is zonder zitting gewezen.