Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van haar woning door de heffingsambtenaar. Tijdens de bezwaarprocedure is vastgesteld dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord, wat een schending van het hoorrecht betekent. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar.
De zaak wordt terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor een nieuwe inhoudelijke behandeling waarbij belanghebbende deugdelijk wordt gehoord. Daarnaast is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase overschreden met ongeveer acht maanden, waarvoor belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €100 wordt toegekend.
De vergoeding wordt verdeeld waarbij €25 voor rekening komt van de heffingsambtenaar en €75 voor rekening van de Staat der Nederlanden. Tevens wordt belanghebbende een proceskostenvergoeding van €782,75 toegekend en het griffierecht van €51 vergoed. De rechtbank wijst een verzoek af om betaling van proceskosten rechtstreeks aan de gemachtigde te laten plaatsvinden, omdat dit buiten haar bevoegdheid valt.