ECLI:NL:RBZWB:2026:1215

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/675
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 1 WWArt. 17 WWArt. 17a WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis zonder onbetaald verlof

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering, die door het UWV is afgewezen omdat hij niet voldeed aan de referte-eis: in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid moet minimaal 26 weken gewerkt zijn. Eiser voerde aan dat hij onbetaald verlof had genoten, waardoor de referteperiode zou moeten worden verlengd.

De rechtbank stelt vast dat eiser van 15 februari 2024 tot en met 25 juni 2024 niet heeft gewerkt vanwege een ontslag op staande voet, dat later werd ingetrokken en omgezet in een beëindiging met wederzijds goedvinden. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt echter niet dat de werkgever heeft ingestemd met onbetaald verlof. Bovendien was het ontslag de initiële reden voor het niet werken, niet het onbetaald verlof.

De rechtbank concludeert dat niet is voldaan aan de restrictief uitgelegde uitzondering voor onbetaald verlof in artikel 17a lid 1 sub c van de WW. Hierdoor is geen sprake van voorverlenging van de referteperiode en voldoet eiser niet aan de referte-eis. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis zonder onbetaald verlof.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/675
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), (gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft beslist dat eiser geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag van die uitkering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag voor een WW-uitkering terecht is afgewezen, omdat eiser in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid geen 26 weken heeft gewerkt (referte-eis). Het standpunt van eiser dat sprake is van onbetaald verlof volgt de rechtbank niet. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de voor de zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op wat de referte-eis inhoudt en of hieraan wordt voldaan. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 5 augustus 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
2.2. Eiser heeft op 22 januari 2025 beroep ingesteld tegen deze beslissing.
2.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. De aanvraag van eiser voor een WW-uitkering is afgewezen, omdat eiser niet zou voldoen aan de referte-eis. Dat is de eis waarin wordt gesteld dat een werknemer in de 36 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid, gedurende 26 weken minimaal een uur per week moet hebben gewerkt. Tegen deze afwijzing heeft eiser bezwaar gemaakt. In zowel het bezwaar als het beroepschrift voert eiser aan wel degelijk aan de referte-eis te voldoen.
3.1. Eiser is op 15 februari 2024 op staande voet ontslagen. Na een civiele procedure is het ontslag op staande voet ingetrokken en hebben eiser en zijn voormalig werkgever de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd, met ingang van 25 juni 2024. Hierbij is overeengekomen dat de werkgever geen loon verschuldigd is over de periode dat eiser niet heeft gewerkt, van 15 februari 2024 tot en met 25 juni 2024. Eiser voert aan dat deze periode dient te worden aangemerkt als onbetaald verlof. Hoewel hij een periode niet heeft gewerkt, is sprake geweest van voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Als rekening wordt gehouden met deze periode, dan voldoet eiser aan de referte-eis.
3.2. In de beslissing op bezwaar komt het UWV tot de conclusie dat de periode waarin eiser niet heeft gewerkt, niet buiten beschouwing kan worden gelaten. Onbetaald verlof is namelijk niet uitsluitend de reden is geweest dat eiser niet heeft gewerkt. Intrekking van het ontslag op staande voet leidt er niet toe dat kan worden aangenomen dat eiser onbetaald verlof heeft genoten. Daarbij voert het UWV in het verweerschrift aan dat uit het proces-verbaal van de civiele procedure niet blijkt dat eisers voormalige werkgever heeft ingestemd met onbetaald verlof. Zonder deze instemming kan geen sprake zijn van onbetaald verlof. Hierdoor kan geen sprake zijn van voorverlenging en voldoet eiser niet aan de referte-eis.
Is het beroep tijdig ingediend?
4. De beslissing op bezwaar is gedateerd op 22 oktober 2024, maar eiser betwist de ontvangst daarvan. Aangezien het UWV niet aan kan tonen dat het besluit op die datum is verzonden, gaat de rechtbank ervan uit dat de beroepstermijn pas is gaan lopen op 18 december 2024 (daags na de verzending van een kopie van de beslissing op bezwaar op 17 december 2024). Het beroep is derhalve tijdig ingediend.
Wat houdt de referte-eis in?
5. De referte-eis is neergelegd in artikel 17 lid 1 van Pro de WW. In de 36 weken voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid dient een werknemer ten minste 26 weken minimaal een uur per week te hebben gewerkt. De WW geeft in artikel 17a lid 1 een aantal uitzonderingen op deze regel. Een van deze uitzonderingen (sub c.) is de situatie waarin de werknemer onbetaald verlof geniet. Wanneer een van de uitzonderingen zich voordoet, vindt voorverlenging plaats. Bij voorverlenging wordt gekeken naar een ruimere periode dan de 36 weken voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid en wordt de periode waarover de uitzondering betrekking heeft, niet in aanmerking genomen. In geval van een voorverlenging wordt een uitzondering gemaakt op de hoofdregel, daarom dient artikel 17a lid 1 van de WW restrictief te worden uitgelegd. De restrictieve uitleg brengt mee dat slechts van een uitzondering sprake kan zijn, als zich één van de in artikel 17a, eerste lid, van de WW omschreven situaties voordoet én uitsluitend die situatie er de oorzaak van is dat de betrokken werknemer niet heeft gewerkt. [1] Er mag dus geen andere reden zijn dat een werknemer niet heeft gewerkt.
Wanneer kan gesproken worden van onbetaald verlof?
6. De Werkloosheidswet geeft een definitie van onbetaald verlof, namelijk: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht. Daarbij volgt uit jurisprudentie dat instemming van de werkgever nodig is om te kunnen spreken van onbetaald verlof. [2]
Wordt voldaan aan de referte-eis?
7. In de 36 weken voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid heeft eiser ongeveer 18 weken niet gewerkt. Hierdoor zou hij in principe niet voldoen aan de referte-eis. Eiser doet echter een beroep op een uitzondering, namelijk de situatie waarin de werknemer wegens onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht. De rechtbank stelt vast dat geen sprake kan zijn geweest van onbetaald verlof in de zin van de WW, nu uit de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat de werkgever ermee heeft ingestemd dat de desbetreffende periode als zodanig wordt aangemerkt. Bovendien is in het geval van eiser niet voldaan aan het vereiste dat onbetaald verlof uitsluitend de oorzaak is waarom een werknemer niet heeft gewerkt. Het ontslag op staande voet is de initiële reden geweest dat eiser van 15 februari 2024 tot en met 25 juni 2024 niet heeft gewerkt. Dat het ontslag een aantal maanden later is ingetrokken doet niet af aan de reden waarom eiser geen arbeid heeft verricht in de periode van 15 februari 2024 tot en met 25 juni 2024. Nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 17a lid 1 sub c. van de WW, is voor een voorverlenging van de referteperiode geen aanleiding. Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat niet wordt voldaan aan de referte-eis en dat het UWV de aanvraag om een WW-uitkering terecht heeft afgewezen.
7.1. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarbij het UWV de aanvraag van eiser voor een WW-uitkering heeft geweigerd, in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
(..)

Werkloosheidswet

Artikel 1, aanhef en onder g
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(..)
g. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
Artikel 17
Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.
(..)
Artikel 17a
1. Voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde Pro aantal van 36 kalenderweken worden niet in aanmerking genomen kalenderweken gedurende welke de werknemer:
a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en Pro hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen;
c. wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van 78 kalenderweken; of
d. geen arbeid heeft verricht maar wel recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid, of 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg.
(..)

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Bestuur (CRvB) van 11 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1421.
2.Uitspraak van de CRvB van 7 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3429.