ECLI:NL:CRVB:2024:1421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis ondanks vaststellingsovereenkomst
Appellant was per 3 juli 2021 op staande voet ontslagen en vroeg daarop een WW-uitkering aan. Het Uwv kende aanvankelijk een WW-uitkering toe, maar betaalde deze niet vanwege verwijtbare werkloosheid. In een procedure bij de kantonrechter kwamen partijen overeen het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen per 1 december 2021. Appellant stelde dat hij daardoor niet verwijtbaar werkloos was vanaf die datum en dat de referteperiode moest worden verlengd met een periode van onbetaald verlof, waardoor hij aan de referte-eis zou voldoen.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat sprake was van onbetaald verlof, omdat daarvoor instemming van de werkgever vereist is. De periode tussen 5 juli en 1 december 2021 was het gevolg van het ontslag op staande voet. De Raad volgde dit oordeel en stelde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op een WW-uitkering op grond van de referte-eis. Ook het beroep op bestuurlijke willekeur werd verworpen.
De Raad bevestigde het besluit van 17 februari 2022 waarin het Uwv de WW-uitkering per 1 december 2021 weigerde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering per 1 december 2021 wegens niet voldoen aan de referte-eis.