Eiseres heeft op 12 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV op 30 april 2024 werd geweigerd wegens laattijdigheid. Na bezwaar handhaafde het UWV deze weigering op 15 september 2025. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het beroep op 18 februari 2026 behandelde.
De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV stelden vast dat eiseres vanaf haar 18e jaar beperkingen had door ASS, PTSS en OCD, maar dat zij wel over basale werknemersvaardigheden beschikte en minimaal vier uur per dag belastbaar was. De datum van toename van haar beperkingen lag buiten de vijfjaarstermijn na haar 18e verjaardag, waardoor zij niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering.
Eiseres voerde aan dat haar medische voorgeschiedenis onvoldoende was onderzocht en dat haar psychische klachten en arbeidsverleden niet goed waren meegewogen. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, voldoende medisch onderzoek had verricht en dat eiseres geen objectieve medische gegevens had overgelegd die het oordeel van het UWV konden weerleggen.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet voldeed aan de criteria voor een Wajong-uitkering en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet vergoed.