ECLI:NL:RBZWB:2026:1238
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Loonsanctie terecht opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een loonsanctie opgelegd door het UWV aan een werkgever (eiseres) wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor haar arbeidsongeschikte werknemer. De loonsanctie verlengt de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De werkgever betwistte dit besluit en voerde aan dat zij het advies van de bedrijfsarts had gevolgd en dat het UWV haar eigen beleid niet juist toepaste.
De rechtbank stelt vast dat de werknemer sinds mei 2022 arbeidsongeschikt is en dat het UWV na een arbeidskundig onderzoek concludeerde dat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te re-integreren. Met name werd het tweede spoor-traject te laat gestart, namelijk pas in december 2023 terwijl dit uiterlijk in juli 2023 had moeten gebeuren. Ook was het tweede spoor-traject onvoldoende gericht op het vinden van passend werk dat aansluit bij de belastbaarheid van de werknemer.
De rechtbank volgt de arbeidsdeskundigen die oordelen dat er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt en dat de werkgever tekort is geschoten in haar verplichtingen. Het feit dat de werkgever het advies van de bedrijfsarts volgde, ontslaat haar niet van verantwoordelijkheid. De vaste rechtspraak stelt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, ook voor de adviezen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de loonsanctie terecht is opgelegd. De werkgever krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de loonsanctie van 52 weken terecht is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever.