Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar bezwaar, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 23 januari 2025 een beslistermijn tot 1 juli 2025 had gesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank verwijst naar een lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn wordt gehanteerd bij soortgelijke zaken. In dit geval is die termijn al verstreken, waardoor verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500 om naleving van deze termijn af te dwingen. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 25 februari 2026.