Eiseres heeft op 25 november 2024 een aanvraag ingediend bij Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen ontving de aanvraag op 26 november 2024 en had uiterlijk 26 november 2025 moeten beslissen, waarbij de beslistermijn met zes maanden was verlengd. Omdat Dienst Toeslagen niet binnen deze termijn heeft beslist, stelde eiseres de dienst op 27 november 2025 in gebreke.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat Dienst Toeslagen alsnog binnen twee weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. De rechtbank verwijst naar een eerdere lijn waarbij een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn wordt opgelegd, maar stelt in dit geval een termijn tot uiterlijk 20 januari 2027 vast.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de beslissing uitblijft, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder moet tevens het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te schorsen vanwege alternatieve trajecten voor schadeafhandeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 25 februari 2026 door rechter R.P. Broeders. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.