ECLI:NL:RBZWB:2026:1296
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inkomstenbelasting 2016 afgewezen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2016, maar diende dit bezwaar ruim na de wettelijke termijn in. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende voerde als reden een latere wijziging in juridisch inzicht aan, maar dit werd door de rechtbank niet als verontschuldigbaar beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedroeg, startend na dagtekening of verzending van het aanslagbiljet. De dagtekening was 7 december 2018, waardoor de termijn eindigde op 18 januari 2019. Het bezwaar werd pas op 28 november 2024 ontvangen, ruim na deze termijn. Omdat belanghebbende binnen de termijn had kunnen reageren maar dat niet deed, kon een latere reden de termijnoverschrijding niet verontschuldigen.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat het beroep ook deels gericht was tegen de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering. Omdat belanghebbende niet had gereageerd op de vraag of de bezwaarfase overgeslagen mocht worden, werd dit deel van het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank droeg de inspecteur op het beroepschrift als bezwaar tegen de ambtshalve beslissing in behandeling te nemen.
De rechtbank sprak geen proceskostenveroordeling uit en maakte de uitspraak openbaar zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt en bevat informatie over de mogelijkheid tot verzet.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare reden.