Eiseres heeft op 27 november 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden besloten en heeft de termijn onrechtmatig verlengd. Eiseres stelde verweerder op 5 december 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, conform eerdere jurisprudentie, wat in dit geval neerkomt op uiterlijk 21 januari 2027. Verweerder wordt tevens verplicht een dwangsom van €100 per dag te betalen voor elke dag dat de beslissing uitblijft, met een maximum van €15.000.
Daarnaast stelt de rechtbank de reeds verschuldigde dwangsom vast op €1.442, omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te schorsen vanwege alternatieve trajecten.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 maart 2026 door rechter S.A.M.L. van de Sande. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.