ECLI:NL:RBZWB:2026:1477

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/4016
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na kwijtschelding vordering UWV

Eiser ontving een WW-uitkering die later door het UWV werd ingetrokken en teruggevorderd wegens niet-melding van zelfstandige werkzaamheden. Na diverse procedures werd de terugvordering bevestigd door de Centrale Raad van Beroep. Eiser verzocht om kwijtschelding en een betalingsregeling, maar het UWV wees deze verzoeken af.

Tijdens de beroepsprocedure tegen de betalingsregeling heeft het UWV de openstaande vordering van ruim € 82.000 volledig kwijtgescholden. Hierdoor verviel de betalingsregeling. De rechtbank beoordeelde of eiser nog procesbelang had bij het beroep tegen de betalingsregeling.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het resultaat dat eiser nastreeft (kwijtschelding of intrekking van de oorspronkelijke terugvordering) reeds onherroepelijk is geworden en alleen via een herzieningsverzoek kan worden bereikt. De betalingsregeling is komen te vervallen, waardoor het beroep feitelijk geen betekenis meer heeft.

Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na volledige kwijtschelding van de vordering door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 22 maart 2024, waarbij zijn bezwaar betreffende een betalingsregeling van € 50,00 per maand ongegrond werd verklaard.
1.1.
Tijdens deze beroepsprocedure heeft het UWV op 27 juni 2024 het besluit genomen dat de op eiser openstaande vordering van € 82.323,65 geheel wordt kwijtgescholden. Dit betekent dat er ook geen betalingsregeling meer is.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser ontving over de periode van 3 januari 2011 tot en met 2 september 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 29 november 2013 heeft het UWV de WW-uitkering van eiser met ingang van 3 januari 2011 ingetrokken.
Bij besluit van 9 december 2013 heeft het UWV de over de periode van 3 januari 2011 tot en met 2 september 2013 betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 87.388,90 van eiser teruggevorderd. Het bezwaar van eiser hiertegen is bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit bij uitspraak van 3 februari 2015 ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 10 januari 2018 [1] bevestigd. De CRvB heeft geoordeeld dat eiser ‑ door niet te melden dat hij werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en voor hoeveel uren – de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het UWV op goede gronden tot intrekking van de WW-uitkering heeft besloten, omdat het recht niet kan worden vastgesteld.
2.1.
Op 21 december 2021 heeft het UWV een verzoek van eiser om kwijtschelding van de teruggevorderde WW-uitkering afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2022 heeft het UWV het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit bij uitspraak van 9 april 2024 [2] ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de CRvB.
2.2.
Met het besluit van 6 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser medegedeeld dat met hem een betalingsregeling is afgesproken van € 50,00 per maand.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij de vordering van het UWV betwist, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van de CRvB van 10 januari 2018. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift ook verzocht om kwijtschelding van de vordering.
2.3.
Met het besluit van 22 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het UWV op de bezwaren van eiser besloten. Het UWV verklaart de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond, omdat daarin enkel is bevestigd dat met eiser een betalingsregeling van € 50,00 per maand is overeengekomen. Het verzoek om kwijtschelding wijst het UWV af, omdat het eerdere verzoek van eiser op 21 december 2021 is afgewezen en daarover op dat moment nog een hoger beroepsprocedure loopt.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Bij het verweerschrift heeft het UWV het besluit van 27 juni 2024 meegezonden, waarin de op eiser openstaande vordering van € 82.323,65 wordt kwijtgescholden. In het verweerschrift stelt het UWV zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij deze beroepsprocedure, omdat het bestreden besluit primair gaat over een betalingsregeling die eiser zelf is overeengekomen met de afdeling Invorderen. Eisers verzoek om kwijtschelding is inmiddels ingewilligd, dus er is ook geen betalingsregeling meer. Het UWV verzoekt de rechtbank om het beroep van eiser niet-ontvankelijk te verklaren.
2.6.
Met de uitspraak van 19 november 2025 [3] heeft de CRvB de uitspraak van de rechtbank van 9 april 2024 over de afwijzing van eisers verzoek om kwijtschelding (zie onder 2.1) bevestigd. In deze uitspraak heeft de CRvB zich ook uitgelaten over het besluit van 27 juni 2024. De gronden die eiser daartegen heeft aangevoerd slagen niet.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank dient, voordat tot een inhoudelijke beoordeling kan worden gekomen, ambtshalve te beoordelen of eiser procesbelang bij deze procedure heeft. Procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van de procedure. Het moet gaan om een reëel en actueel belang. [4]
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. [5]
3.1.
Met het besluit van 27 juni 2024 is het op dat moment nog openstaande bedrag van € 82.323,65 kwijtgescholden. Het UWV heeft toegelicht dat de aanleiding daarvoor was het besluit van de Raad van Bestuur van maart 2023 om binnen de wettelijke kaders te komen tot meer menselijke maat in het terug- en invorderingsbeleid. Het nieuwe beleid is geïmplementeerd per 1 januari 2024 en de door eiser na die datum betaalde aflossingsbedragen (€ 50,00 per maand gedurende zes maanden) zijn ook kwijtgescholden en aan hem gerestitueerd.
3.2.
Eiser heeft in zijn beroepschrift van 24 juni 2024, gericht tegen het bestreden besluit van 22 maart 2024, verzocht om het terug te vorderen bedrag terug te brengen tot nihil en de invordering te staken.
3.3.
Kort daarna heeft het UWV het besluit van 27 juni 2024 genomen, waarin de op eiser openstaande vordering van € 82.323,65 wordt kwijtgescholden. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiser geeft in dat bezwaarschrift aan dat hij zich kan verenigen met dit besluit, maar dat de organisatie van het UWV in ieder geval sinds 2011 disfunctioneerde en zijn belangen schaadde. Het UWV beïnvloedde volgens eiser de rechtspraak op onheuse wijze waardoor aan eiser te weinig rechtsbescherming werd geboden. Eiser stelt dat het UWV conclusies moet trekken uit het rapport van de Parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening. Het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het geen gronden tegen de kwijtschelding bevatte.
3.4.
Na het kennisnemen van het besluit van 27 juni 2024 heeft de rechtbank eiser gevraagd of dit besluit aanleiding gaf om het beroep in te trekken, of toe te lichten waarom hij van mening is dat hij nog altijd procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
3.5.
In reactie hierop heeft eiser aangegeven dat hij het beroep niet intrekt, dat hij procesbelang heeft en dat de Raad van Bestuur van het UWV en diens medewerkers voorbij trachten te gaan aan de eigen verantwoordelijkheid. Eiser stelt dat hij de oorspronkelijke besluitvorming nog steeds betwist en dat hij hierdoor in grote mate is beschadigd en benadeeld. Eiser vindt dat, indien het UWV geen wettelijke of beleidsmatige grondslag ziet voor verdergaande kwijtschelding van de onverschuldigd terugbetaalde uitkering, dan dient zij op basis van de feiten omtrent het falen van het UWV zoals die in het rapport ‘Blind voor mens en recht’ aan het licht werden gebracht, daartoe een wettelijke of beleidsmatige grondslag te ontwikkelen. Eiser bestrijdt het standpunt van het UWV dat zij met de kwijtschelding op maximale wijze aan hem tegemoetkomen.
3.6.
Op de zitting heeft eiser zijn procesbelang nader toegelicht. De rechtbank maakt daaruit op dat eisers gestelde procesbelang is gelegen in een hoger bedrag van kwijtschelding, of dat alsnog de oorspronkelijke terugvordering van tafel gaat, wat hetzelfde gevolg zou hebben.
3.7.
De rechtbank overweegt dat wat eiser wil bereiken onderdeel heeft uitgemaakt van eerdere procedures. Het besluit tot terugvordering is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de CRvB van 10 januari 2018. Het besluit tot kwijtschelding van 27 juni 2024 is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de CRvB van 19 november 2025. Dit betekent dat eiser op deze punten alleen maar iets kan bereiken met een herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dat ligt niet in deze procedure aan de rechtbank voor. Eiser stelt zich op het standpunt dat het UWV het initiatief moet nemen tot herziening, maar de rechtbank is van oordeel dat het op eisers weg ligt om, indien hij dat wenst, hiertoe een verzoek in te dienen.
De rechtbank is van oordeel dat het resultaat dat eiser met deze beroepsprocedure nastreeft, niet kan worden bereikt. Eiser heeft daarom geen procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit. De betalingsregeling is vervallen met de beslissing over de kwijtschelding, zodat een oordeel daarover geen feitelijke betekenis kan hebben. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
3.8.
Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.