Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag van 22 november 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden, verlengd met zes maanden, niet rechtsgeldig is opgeschort en inmiddels is verstreken. Eiseres heeft verweerder op 16 december 2025 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, conform een eerdere lijn van de rechtbank, maar in dit individuele geval geldt een uiterste beslistermijn van 15 januari 2027. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000.
De rechtbank wijst het verzoek van verweerder af om de beslistermijn te laten staken tijdens een alternatief traject voor minnelijke regeling. Verweerder moet het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 6 maart 2026.