Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats] ,
[eiser 3] en [eiser 4], uit [plaats] , en
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“De functies, die in het bestemmingsplan Buitengebied worden genoemd als mogelijke nevenfuncties bij de agrarische bestemming, lenen zich in beginsel goed om zich als nieuwe zelfstandige functie te ontwikkelen (in met name VAB’s). Uitgangspunt is dat de functies niet mogen concurreren met de functies in het stedelijk gebied en dat zij de kwaliteiten in het gebied niet mogen aantasten. De aard en schaal van de functies dienen aan te sluiten bij de waarden van het omliggende landschap.”En ook wijst de bezwaarschriftencommissie voor wat betreft het begrip ‘boerderij- en streekproducten’ erop dat in de plansystematiek deze nevenfunctie enkel is toegestaan bij bestemmingen waarbij het bedrijfsmatig voortbrengen en/of bewerken van agrarische producten is toegestaan. Verder heeft de bezwaarschriftencommissie in haar advies opgemerkt dat, gelet op de in het dossier aanwezige foto’s, zij het niet aannemelijk acht dat het leeuwendeel van de omvang van de activiteit wordt gevormd door producten die kunnen worden aangemerkt als ‘boerderij- en streekproducten. De bezwaarschriftencommissie merkt in dat verband op dat het assortiment voor een deel bestaat uit producten die elders zijn geproduceerd, voor een aanzienlijk deel in het buitenland, waarbij een gedeelte van de producten industrieel is verpakt. Ook hiervoor geldt dat dit een goed gefundeerd advies is van een onafhankelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb. Het college heeft in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom het dit advies niet heeft overgenomen.