ECLI:NL:RBZWB:2026:1756

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/11996
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende deed op 7 oktober 2021 aangifte BPM voor een Audi SQ7 SUV en betaalde € 7.371. De inspecteur liet een hertaxatie uitvoeren en legde een naheffingsaanslag van € 4.454 op, met belastingrente van € 13. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep op 29 januari 2026.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was maar diende te worden verlaagd. De inspecteur had de taxatiemethode van belanghebbende aanvankelijk betwist, maar de rechtbank vond dat deze methode toegepast mocht worden. De historische nieuwprijs werd vastgesteld op € 172.702 en de handelsinkoopwaarde op € 58.500 minus schadecorrecties. De koerslijst Eurotax werd niet aanvaard, maar de X-Ray lijst van DRZ wel. De naheffing werd verminderd tot € 4.066.

Het vertrouwensbeginsel werd niet geschonden omdat de inspecteur tijdig handelde en geen uitlatingen had gedaan die vertrouwen wekten dat geen naheffing zou volgen. Wel werd een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 16 maanden. Deze vergoeding werd verdeeld tussen de inspecteur en de Staat.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en bepaalde dat de belastingrente dienovereenkomstig wordt verminderd.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11996
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.454 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 13 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag dient te worden verlaagd. Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 7 oktober 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi SQ7 SUV met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.371.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft op 14 oktober 2021 een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Op 23 september 2022 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd over het voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen.
4.3.
De inspecteur heeft vervolgens naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 11.822 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Vertrouwensbeginsel
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schouw bij DRZ en de kennisgeving van de naheffingsaanslag (4.2), de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet zou worden teruggekomen.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw bij DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak [2] van rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Afschrijvingsmethode
4.6.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [3]
4.7.
De wijze van vaststellen van het afschrijvingspercentage wordt niet in artikel 10, lid 2, Wet BPM geregeld maar, voor wat betreft de taxatiemethode, in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Deze methode beoogt te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen. Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [4]
Toepassing taxatiemethode
4.8.
De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto, omdat er diverse formele en materiële gebreken daaraan kleven. Daarnaast is volgens de inspecteur sprake van essentiële gebreken omdat een koplamp vervangen diende te worden.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de gedingstukken volgt dat de auto door RDW gekeurd is op 6 oktober 2021. Daarbij zijn geen essentiële gebreken geconstateerd. De rechtbank verwerpt daarom deze stelling van de inspecteur. Vast staat dat zowel door de taxateur van belanghebbende als door DRZ schade is geconstateerd (zie 4.15). Ook de stelling van de inspecteur, dat het taxatierapport meer dan één maand oud is, kan hem niet baten reeds omdat het taxatierapport op 4 oktober 2021 is opgemaakt. Ook in de overige argumenten van de inspecteur ziet de rechtbank geen aanleiding om de taxatiemethode buiten de beschouwing te laten. Gelet hierop kan belanghebbende de taxatiemethode toepassen (zie 4.7).
Historische nieuwprijs
4.10.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [5] en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 172.702, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 109.832 vermeerderd met € 23.064 btw en € 39.806 bruto bpm. De netto catalogusprijs is conform de netto catalogusprijs zoals vastgesteld door DRZ. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. De rechtbank zal gelet op het door belanghebbende aangehaalde arrest overeenkomstig het standpunt van belanghebbende beslissen.
Toepassing koerslijst – handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.11.
Belanghebbende stelt dat de koerslijst Eurotax moet worden gehanteerd voor de berekening van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Verder merkt belanghebbende op dat voor de toepassing van de koerslijst Eurotax de correctiefactoren zijn toegepast en dat het een koerslijst betreft vóór de toepassing van de disclaimer.
4.12.
De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende de juiste koerslijst heeft toegepast.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat een beroep kon worden gedaan op de waardevermindering van 15% in verband met de correctiefactoren. Gelet hierop kan de koerslijst Eurotax niet toegepast worden. Voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zal de rechtbank de waarde aanhouden van de koeslijst X-Ray zoals opgenomen in het rapport van DRZ.
Waardevermindering in verband met schade
4.14.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.559,89 en 72% hiervan, zijnde € 11.202, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De hertaxateur van DRZ heeft eveneens schade aan de auto geconstateerd. Het betreft in totaal een schade van € 7.197 waarvan 72% ten laste van de handelsinkoopwaarde is gebracht.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor een hoger bedrag sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel.
Overige waardevermindering - ontbreken van Nederlandstalige boeken
4.16.
Belanghebbende betoogt dat de auto wordt vergeleken met een Nederlandse auto die over Nederlandstalige boeken beschikt. Omdat de auto van belanghebbende niet over Nederlandstalige boeken beschikt, moet wegens het ontbreken daarvan een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde worden toegestaan, aldus belanghebbende.
4.17.
Volgens de inspecteur is in de koerslijst reeds rekening gehouden met het ontbreken van de garantie- en onderhoudsboeken omdat deze ook bij de referentieauto’s ontbreken.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van dergelijke bescheiden niet leidt tot de door belanghebbende gestelde waardevermindering. Onderhoudsboeken geven een weergave van het onderhoud dat in de loop der jaren is gepleegd, en kunnen gezien de herkomst van de auto niet in het Nederlands gesteld zijn. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat de auto wel beschikt over buitenlandse onderhoudsboeken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de door belanghebbende gestelde waardevermindering. [6]
Hoogte naheffingsaanslag
4.19.
Gelet op het voorgaande dient de naheffingsaanslag, in overeenstemming met het meest subsidiaire standpunt van belanghebbende, als volgt te worden verminderd.
Historische nieuwprijs
€ 172.702
Handelsinkoopwaarde
€ 58.500
Af: schade 72% van € 7.197
€ 5.182
Handelsinkoopwaarde na schade
€ 53.318
Afschrijving
€ 119.384
Bruto historische Bpm
€ 39.806
Afschrijvingspercentage
69,1271%
Afschrijving
€ 27.517
Extra leeftijdskorting
€ 852
Verschuldigde Bpm
€ 11.437
Voldaan op aangifte
€ 7.371
Naheffing
€ 4.066
Belastingrente
4.20.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.
Immateriële schadevergoeding
4.21.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.22.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.23.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt 6/16 deel, derhalve € 562,50 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 937,50 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.066 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 562,50;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 937,50;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
Rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
4.Vgl. ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 en ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.