ECLI:NL:RBZWB:2026:177

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/02/397510 / HA ZA 22-243 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Römers
  • Scheffers
  • Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:174 BWArt. 6:162 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArtikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wateroverlast door onvoldoende causaal verband ontwerpfout

Eisers, bestaande uit een vennootschap onder firma en haar vennoten, vorderen schadevergoeding van het Waterschap Brabantse Delta wegens wateroverlast op hun hortensiakwekerij op 27-28 juli 2014. De schade betreft verloren gegane hortensia’s door overstroming van het containerveld en de kas.

Deskundigen stelden vast dat er een ontwerpfout was in het watersysteem, met name een te smalle stuw benedenstrooms, die heeft bijgedragen aan de wateroverlast. Het waterschap betwist aansprakelijkheid en voert aan dat het functioneren van de stuw in het grotere geheel moet worden beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat de ontwerpfout aannemelijk is, maar dat het causaal verband tussen deze fout en de schade onvoldoende is aangetoond. De hortensia’s op het containerveld waren sowieso verdronken, en voor de kas is niet overtuigend vastgesteld dat het waterniveau door maatregelen significant lager had gestaan. De stelplicht van eisers om de duur en hoogte van de waterstand concreet te onderbouwen is niet nagekomen. Daarom worden de vorderingen afgewezen en worden eisers veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende aannemelijk causaal verband tussen ontwerpfout en schade.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/397510 / HA ZA 22-243
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] VOF,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
3.
[eiser 3],
te [plaats] ,
4.
[eiser 4],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. E. Beele te Tilburg,
tegen
WATERSCHAP BRABANTSE DELTA,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het waterschap,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg.

1.De zaak in het kort

1.1.
Op 28 juli 2014 is de hortensiakwekerij van [eisers] als gevolg van hevige regenval onder water komen te staan. [eisers] heeft schade geleden omdat de hortensia’s verloren zijn gegaan. Volgens [eisers] is het Waterschap aansprakelijk voor deze schade. [eisers] verwijst hiervoor naar de onderzoeken van de door de rechtbank benoemde deskundigen. De rechtbank oordeelt dat de deskundigen weliswaar schrijven dat er een ontwerpfout is gemaakt in het watersysteem die heeft bijgedragen aan de wateroverlast, maar dat onvoldoende aannemelijk is dat de schade niet zou zijn ontstaan als het waterschap maatregelen had genomen. De vorderingen van [eisers] worden daarom afgewezen. Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 maart 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de brief van 21 oktober 2025 met productie 15 van [eisers] ;
- de brief van 30 oktober 2025 met productie 7 van het waterschap;
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. Beele;
- de spreekaantekeningen van mr. Pieterse voor zover deze zijn voorgedragen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eisers] heeft aan de [straat] in [plaats] een hortensiakwekerij in de vorm van een vennootschap onder firma (eiseres sub 1). Eisers sub 2 tot en met 4 zijn de vennoten van deze vof.
3.2.
De hortensiakwekerij van [eisers] bevindt zich in het door het waterschap beheerde peilvak ‘ [peilvak 1] ’. [peilvak 1] watert af in het [kanaal] (hierna: [kanaal] ). Bovenstrooms van [peilvak 1] bevindt zich het peilvak ‘ [peilvak 2] ’.
3.3.
Op 27-28 juli 2014 is na hevige regenval de hortensiakwekerij van [eisers] , bestaande uit een containerveld en een kas, onder water komen te staan. De hortensia’s hebben zo lang onder water gestaan dat wortelbeschadiging is opgetreden.
3.4.
Bij brief van 29 juli 2014 heeft [eisers] het waterschap aansprakelijk gesteld voor de uit de overstroming voortvloeiende schade. [1] In deze brief staat onder meer:

Gistermorgen om 11.00 uur stond het water nog 20 cm onder de slootkant, ca 12.00 uur was het helemaal volgestroomd, het leek wel een explosie van water ook de kas is toen volgeschoten waar nu een zoetige weeeïge lucht hangt. Het water staat ca 15 a 20 cm hoog.
3.5.
In opdracht van [eisers] heeft [expertisebureau] een rapport gedateerd op 2 augustus 2017 gemaakt over (de schade door) de wateroverlast bij [eisers] . [2]
3.6.
[eisers] heeft op 22 december 2017 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. [3]
3.7.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2018 is een voorlopig deskundigenbericht gelast. Dr. ir. [persoon 1] (verbonden aan Acacia Water) en dr. ir. [persoon 2] (verbonden aan Deltares) zijn benoemd als deskundigen (hierna: de deskundigen). [4]
3.8.
De deskundigen hebben op 12 februari 2020 hun rapport uitgebracht. [5] In hun begeleidende brief bij het deskundigenbericht schrijven de deskundigen dat er twee oorzaken zijn dat er in [peilvak 1] relatief veel wateroverlast is geweest. Allereerst bevindt zich direct bovenstrooms van [peilvak 1] een splitsing, waarbij het water naar [peilvak 1] of naar [peilvak 3] kan stromen. Omdat de duiker en de stuw op de route naar [peilvak 3] kleiner is, heeft het water als voorkeursroute [peilvak 1] . Ten tweede is de stuw benedenstrooms aan het eind van [peilvak 1] 0,88 meter breed, terwijl de stuw aan de bovenstroomse kant van [peilvak 1] 2,0 meter is. Hierdoor kan er bij een hoogwatersituatie meer water instromen dan uitstromen.
3.9.
Elsman Consultants heeft in opdracht van [eisers] een expertiserapport gemaakt over de gevolgschade. [6]
3.10.
Het waterschap heeft Royal HaskoningDHV ingeschakeld om te reageren op het rapport van de deskundigen. Royal HaskoningDHV heeft op 6 juli 2022 een notitie opgesteld waarin kritiek is geuit op het rapport van de deskundigen. [7]
3.11.
De rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 2024 een aanvullend onderzoek door (dezelfde) deskundigen bevolen. De deskundigen hebben op 24 september 2024 hun rapport ingediend.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vordert na eisvermeerdering bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat het waterschap jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [eisers] heeft geleden ten gevolge van alle wateroverlast die op en na 27 juli 2014 op haar bedrijfsgronden aan de [straat] in [plaats] is opgetreden;
het waterschap te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen het bedrag van € 2.369.160,00 althans het bedrag dat de rechtbank vermeent te behoren, te vermeerderen met een bedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet tot vergoeding van de gevolgschade en te vermeerderen met een bedrag van € 58.250,00 ex artikel 6:96 BW Pro met het daarover verschuldigde bedrag van omzetbelasting, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;
het waterschap te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, waaronder begrepen de kosten van de deskundigenberichten ad € 59.719,04 voor zover gevallen aan de zijde van [eisers] en onder de bepaling dat het waterschap over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de respectieve data van de betalingen van het voorschot door [eisers] , zijnde 27 maart 2018 voor het eerste voorschot van € 24.600,00, 27 januari 2020 voor het aanvullend voorschot van € 12.584,00 en 14 maart 2024 voor het bedrag van € 22.535,04.
4.2.
Het waterschap voert verweer. Het waterschap concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Ontwerpfout
5.1.
In deze zaak is uitvoerig onderzoek gedaan naar de vraag wat de wateroverlast bij [eisers] op 28 juli 2014 heeft veroorzaakt en in hoeverre het ontwerp van het watersysteem dat in beheer is bij het waterschap, daaraan heeft bijgedragen. De deskundigen concluderen dat een belangrijke ontwerpfout is gemaakt die heeft bijgedragen aan de ernst van de wateroverlast bij [eisers] . Volgens de deskundigen is de stuw [peilvak 1] / [kanaal] [kenmerk 1] , waarover het water [peilvak 1] uit moet stromen, met een breedte van 0,88 meter aanzienlijk minder breed dan de bovenstrooms gelegen stuw [peilvak 2] / [peilvak 1] [kenmerk 2] met een breedte van 2,0 meter, waarover het water [peilvak 1] instroomt. Die combinatie maakt het peilvak volgens de deskundigen kwetsbaar. De deskundigen wijzen erop dat stuwen in de benedenstroomse richting breder horen te worden. Volgens de deskundigen had de benedenstroomse stuw [peilvak 1] / [kanaal] [kenmerk 1] circa 2,3 a 2,4 meter breed moeten zijn. [8]
5.2.
Hoewel het waterschap betwist dat sprake is van een ontwerpfout – het waterschap wijst er op dat gekeken moet worden naar het functioneren van de stuw in het grotere geheel – concludeert ook de eigen deskundige Royal HaskoningDHV dat het niet logisch is dat de stuw benedenstrooms veel smaller is dan de stuw bovenstrooms. [9] Ook uit het Cultuurtechnisch Vademecum, waarin ontwerprichtlijnen staan op het gebied van afwatering, volgt dat de stuw benedenstrooms breder had moeten zijn. De deskundigen hebben de formules uit het Cultuurtechnisch Vademecum gebruikt om te berekenen dat de kruin van de stuw [peilvak 1] / [kanaal] circa 2,4 meter breed had behoren te zijn. [10] De rechtbank oordeelt daarom dat het aannemelijk is dat hier sprake is van een ontwerpfout.
Juridisch kader
5.3.
De vraag is vervolgens of deze ontwerpfout ook leidt tot aansprakelijkheid van het waterschap voor de schade van [eisers] . [eisers] grondt zijn vorderingen allereerst op artikel 6:174 BW Pro, opstalaansprakelijkheid, en in de tweede plaats op artikel 6:162 BW Pro, omdat het waterschap volgens [eisers] in de uitoefening van zijn taken niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheid die een goed waterbeheerder jegens zijn ingelanden dient te betrachten.
5.4.
Artikel 6:174 BW Pro bepaalt dat een bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daarvoor gevaar voor personen oplevert, aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Sinds 1 januari 2017 staat expliciet in de wet (lid 2) dat de aansprakelijkheid van een waterstaatswerk rust op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg of het waterstaatswerk in goede staat verkeert. Het overheidslichaam betreft in dit geval het waterschap. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze wetswijziging geen verruiming van de aansprakelijkheid is in het geval de beheerder ook de bezitter is. Ook vóór 1 januari 2017 kan de bezitter van een waterstaatswerk aansprakelijk zijn voor schade op grond van dit artikel. [11] Of een opstal gebrekkig is in de zin van dit artikel hangt af van de vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. [12]
5.5.
In de jurisprudentie is ten aanzien van de zorgplicht van een waterschap overwogen dat geen sprake is van een garantie op het uitblijven van overstroming. Hoe ver de onderhoudsplicht van het waterschap gaat, hangt af van verschillende factoren. Het waterschap heeft een zekere beleidsvrijheid, waarbij die beleidsvrijheid weer niet zo ver gaat dat het optreden van het waterschap slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. Van een waterschap mag wel worden verwacht dat als een klacht binnenkomt over het waterpeil, het waterschap daarop adequaat reageert. Een waterschap hoeft echter niet steeds uit eigen beweging te onderzoeken of een eigenaar van grond, water of gebouwen in het gebied van het waterschap last heeft van te hoge of te lage waterstanden en op basis daarvan maatregelen te nemen vooruitlopend op een aangekondigde weersomstandigheid. Kort samengevat, gaat het erom of het waterschap, gelet op de concrete omstandigheden van het geval en de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. [13]
5.6.
Los van de vraag of de betreffende opstal gebrekkig is dan wel of het waterschap een zorgplicht heeft geschonden, vestigen beide grondslagen enkel aansprakelijkheid voor schade die in causaal verband staat met de gebrekkige opstal dan wel de geschonden zorgplicht. Dat betekent dat de rechtbank in alle gevallen zal moeten toetsen of de gevorderde schade in
conditio sine qua nonverband staat tot het aansprakelijkheid vestigend feit, met andere woorden of de schade was uitgebleven als het aansprakelijkheid vestigend feit wordt weggedacht. Ook op dit punt heeft het waterschap verweer gevoerd.
Causaal verband
5.7.
Uit de onderzoeken van de deskundigen volgt dat het containerveld in alle gevallen overstroomd was. [14] De hortensia’s die op het containerveld stonden, waren dus hoe dan ook verdronken. De schade die verband houdt met de hortensia’s op het containerveld staat daarmee niet in causaal verband tot het gestelde schadeveroorzakend feit en komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
5.8.
Ten aanzien van de kas zijn de deskundigen uitgegaan van een overstromingsdiepte van 5 tot 10 cm. Zij concluderen dat bij een combinatie van maatregelen het water tot 9 cm lager had gestaan en de kas nagenoeg droog zou zijn gebleven. Het waterschap betwist dat er maar 5 tot 10 cm water in de kas heeft gestaan. Het waterschap wijst op de brief van 29 juli 2014 waarin [eisers] schrijft dat het water 15 tot 20 cm hoog staat, [15] en het verslag van de heer [persoon 3] van zijn bezoek aan [eisers] op 21 mei 2015 waarin hij schrijft dat volgens mededeling 100% van het plantgoed tot 20 cm onder water zou hebben gestaan. [16]
5.9.
De rechtbank constateert dat de deskundigen een overstromingsdiepte van 5 tot 10 cm hebben aangenomen op basis van een tweetal foto’s. [17] Eén foto toont de kas terwijl het water nagenoeg weggestroomd is. Deze foto is volgens [eisers] genomen op 28 juli 2014 om 21:59 uur. [18] Op de andere foto is wel water in de kas te zien – waarbij de deskundigen op basis van de hoogte van de drempels een hoogte van 8 cm hebben geschat – maar onbekend is op welk tijdstip deze foto is genomen. Onduidelijk is ook of dit de eindstand van het water weergeeft. De rechtbank heeft ter zitting gevraagd naar de waterstand in de kas. [eisers] heeft verklaard dat er geen andere foto’s (meer) beschikbaar zijn. [eisers] weet niet meer precies hoe hoog het water heeft gestaan in de kas. Volgens [eisers] zou het ook kunnen dat het water 15 tot 20 cm hoog heeft gestaan. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop niet is vast komen te staan dat het water maar 5 tot 10 cm hoog in de kas heeft gestaan. Uitgaande van een combinatie van maatregelen die ertoe zou hebben geleid dat het water maximaal 9 cm lager in de kas had gestaan, is daarmee onvoldoende aannemelijk dat als het waterschap deze maatregelen had genomen, geen schade was ontstaan. Met andere woorden, het causaal verband tussen het gestelde schadeveroorzakend feit en de schade is onvoldoende aannemelijk.
5.10.
[eisers] heeft er nog op gewezen dat volgens de deskundigen ook de duur van de wateroverlast korter zou zijn geweest als de maatregelen zouden zijn genomen. Volgens [eisers] is ook de duur van het onder water staan van de planten een factor in de schade. De rechtbank oordeelt echter dat [eisers] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Van [eisers] had verwacht mogen worden concreet te stellen:
  • welk effect de duur van het onder water staan heeft op hortensia’s,
  • hoe lang het water in de kas heeft gestaan in de werkelijke situatie,
  • hoe lang het water in de kas zou hebben gestaan in de hypothetische situatie met maatregelen.
[eisers] heeft dit niet gesteld. Het ontbreken van een concrete onderbouwing van zijn stelling, komt voor rekening en risico van [eisers] op wie de stelplicht rust. [19]
Conclusie
5.11.
Omdat onvoldoende aannemelijk is dat er een causaal verband bestaat tussen het gestelde schadeveroorzakend feit en de gestelde schade, zal de rechtbank de vorderingen van [eisers] afwijzen.
5.12.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het waterschap worden begroot op:
- griffierecht
8.519,00
- salaris advocaat
15.249,50
(3,5 punten × € 4.357,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
23.946,50
5.13.
[eisers] heeft de voorschotten van de deskundigenonderzoeken betaald. Omdat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen, blijven de kosten van de deskundigenonderzoeken voor rekening van [eisers] .
5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 23.946,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers, mr. Scheffers en mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 [eisers] .
2.Productie 7 [eisers] .
3.Productie 2 [eisers] .
4.Productie 4 [eisers] .
5.Productie 5 [eisers] .
6.Productie 8 [eisers] .
7.Productie 2 het waterschap.
8.Aanvullend deskundigenbericht d.d. 24 september 2024, p. 13 en 55 en productie 5 [eisers] , p. 38.
9.Productie 2 het waterschap, p. 5-6.
10.Productie 5 [eisers] , p. 39-40.
12.HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (
13.Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 8 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2756, r.o. 6.6.4 en 6.6.5 met een verwijzing naar de arresten HR 9 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4240 (
14.Productie 5 [eisers] , p. 2 (begeleidende brief) en 49 (deskundigenbericht) en aanvullend deskundigenbericht d.d. 24 september 2024, p. 19.
15.Productie 1 [eisers] .
16.Productie 3 het waterschap.
17.Zie de antwoorden op vragen 7a en 7b en de bijbehorende bijlage 1 van het aanvullend deskundigenbericht d.d. 24 september 2024.
18.Dit betreft de tweede foto van bijlage 1 van het aanvullend deskundigenbericht.
19.Artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.