Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 22 april 2025 verweerder had opgedragen binnen twee weken te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank sluit aan bij de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn hanteert. In dit geval is die termijn al verstreken, zodat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om de rechterlijke dwangsom uit de eerdere uitspraak vast te stellen en wijst erop dat eiseres zich daarvoor tot de burgerlijke rechter moet wenden.
Tot slot veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 13 maart 2026.