Uitspraak
zaaknummers: BRE 25/1572 tot en met 25/1600
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, houder van een vergunning voor het organiseren van online kansspelen, betwistte de heffing van kansspelbelasting over de nominale waarde van bonussen die zij aan spelers verstrekt. De inspecteur had de bezwaren deels gegrond verklaard voor enkele maanden, maar de overige beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde de beroepen en oordeelde dat de bonusinzetten terecht worden meegerekend bij de ontvangen inzetten in het bruto spelresultaat.
De rechtbank overwoog dat de wettekst van artikel 3 Wet Pro KSB het begrip 'ontvangen inzetten' niet beperkt tot inzetten die door spelers met eigen middelen zijn gedaan. De wetsgeschiedenis toont aan dat de wetgever bewust bonussen wilde belasten om te voorkomen dat vergunninghouders onbeperkt bonussen verstrekken. De nominale waarde van de bonus is voor de heffing gelijk aan de waarde waarvoor de speler deze kan inzetten.
Belanghebbendes argumenten over schending van het gelijkheidsbeginsel en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM werden verworpen. De rechtbank stelde dat de belastingheffing voorzienbaar, wettelijk en proportioneel is en dat belanghebbende geen individuele en buitensporige last aannemelijk heeft gemaakt. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen recht op rente of proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat bonusinzetten meetellen voor de heffing van kansspelbelasting.