Eiseres heeft op 20 november 2024 een aanvraag ingediend bij de Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden, die uiterlijk op 26 november 2025 verliep, een besluit genomen. Eiseres stelde verweerder op 27 november 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn niet rechtsgeldig is verlengd of opgeschort. De rechtbank verwijst naar een eerdere lijn die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn voorschrijft, maar stelt in dit geval een termijn van twee weken na verzending van het vonnis vast, omdat de langere termijn nog niet was verstreken.
Verweerder had betoogd dat de beslistermijn niet zou lopen tijdens de bedenktijd van ouders voor alternatieve trajecten, maar de rechtbank wijst dit af. De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 20 maart 2026. Verweerder moet uiterlijk 20 januari 2027 alsnog een besluit nemen op de aanvraag.