Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar bezwaar, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 15 augustus 2025 verweerder had opgedragen binnen twee weken te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank sluit aan bij een lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn geldt, tenzij deze termijn al is verstreken.
In dit geval is de wettelijke beslistermijn op 5 februari 2024 verstreken en zijn meer dan 60 weken daarna verstreken, zodat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 20 maart 2026.