ECLI:NL:RBZWB:2026:2153

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/5364
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 2:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar omgevingsvergunning studentenstudio’s

Eisers maakten bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van vijftien studentenstudio’s, verleend door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Eisers stelden dat zij niet op de hoogte waren gesteld van het bouwplan en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege bijzondere omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat het oude recht van toepassing is, omdat de aanvraag om de vergunning vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend. Volgens de Algemene wet bestuursrecht geldt een bezwaartermijn van zes weken na bekendmaking van het primaire besluit, die in dit geval elektronisch in het gemeenteblad is gepubliceerd.

De rechtbank stelde vast dat de elektronische publicatie rechtsgeldig was en dat eisers redelijkerwijs kennis hadden kunnen nemen van het besluit. De omgevingsdialoog verplichtte vergunninghoudster niet om eisers te informeren. De termijnoverschrijding werd daarom niet als verschoonbaar beoordeeld en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de termijnoverschrijding van het bezwaarschrift niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5364

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] ,

[eiser 3] en [eiser 4] ,uit [woonplaats] ,
samen, eisers,
(gemachtigde: mr. R.C. van Wamel),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Inleiding

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 10 september 2026 (bestreden besluit), waarin een bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers hadden bezwaar gemaakt tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van vijftien studentenstudio’s aan de [straat 1] in [woonplaats] .
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] waren samen met hun gemachtigde aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger college] .

Beoordeling door de rechtbank

1. Feiten

Eisers wonen aan de [straat 2] en [straat 3] in [woonplaats] .
[vergunninghoudster] B.V. (hierna: vergunninghoudster) is voornemens om 15 studentenstudio’s te bouwen op een perceel aan de [straat 1] in [woonplaats] (hierna: het perceel). Vergunninghoudster heeft daar een omgevingsvergunning voor aangevraagd op 3 november 2023.
Op 29 januari 2024 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend (primair besluit).
Het college heeft op 31 januari 2024 kennisgegeven van het primaire besluit in het gemeenteblad. [1]
Eisers hebben daar op 28 februari 2025 bezwaar tegen gemaakt.
In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
Eisers hebben daar op 13 oktober 2025 beroep tegen ingesteld.

2. Wettelijk kader

2.1
De omgevingsvergunning is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de rechtbank af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Ow is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2.2
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. [2] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het primair besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [3] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster is toegezonden. [4] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [5]
3. Omvang van het geding
Ter beoordeling ligt aan de rechtbank een beslissing op bezwaar voor waarin het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet daarop kan de rechter uitsluitend beoordelen of het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en meer specifiek of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. De beroepsgronden van eisers die zien op de inhoud van de omgevingsvergunning, vallen daarom buiten de omvang van dit geding.
4. Gronden
4.1
Eisers hebben aangevoerd dat het college het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Eisers hebben bezwaar gemaakt binnen zes weken nadat ze te weten zijn gekomen dat het besluit was genomen. [6] Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers de volgende argumenten aangevoerd.
4.2
De termijnoverschrijding kan niet aan eisers worden toegerekend, omdat zij niet op de hoogte waren van het bouwplan en de daarvoor verleende omgevingsvergunning. Vergunninghoudster heeft eisers daar nooit over geïnformeerd, terwijl vergunninghoudster daar wel toe verplicht was op grond van de ‘Richtlijn omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen’ van de gemeente. Eisers hadden er ook niet op bedacht hoeven zijn dat er in hun directe woonomgeving een ingrijpende wijziging zou plaatsvinden van de bestaande bebouwingsstructuur en bebouwingskarakteristiek. Het bouwplan voldoet niet aan de toen geldende bestemmingsplannen en het bestaande pand op het perceel werd tot het laatste moment bewoond. Sinds het moment van vergunningverlening tot onlangs, is er feitelijk geen uitvoering gegeven aan de omgevingsvergunning.
4.3
Volgens eisers had het college ook niet mogen volstaan met kennisgeven van het verlenen van de omgevingsvergunning in het elektronisch gemeenteblad. Eisers wijzen daarbij op artikel 2:14, tweede lid, van de Awb. Dat volstaan kan worden met een elektronische kennisgeving volgt ook niet uit artikel 2 van Pro de Verordening op de elektronische bekendmaking en kennisgeving gemeente Tilburg, artikel 3:8 en Pro 3:9 van de Wabo of artikel 12 van Pro de Bekendmakingswet. Dit volgt ook niet uit de Memorie van Toelichting bij de Wet elektronische publicaties. Daaruit volgt dat publicaties in huis-aan-huisbladen gewoon kunnen worden voortgezet als ‘aanvullende service’. [7] Die aanvullende service is gebaseerd op de norm van behoorlijk overheidshandelen. Uit het rapport ‘Informeren = Publiceren’ van de Nationale Ombudsman blijkt dat de behoorlijkheid vergt dat de overheid meer moet doen om burgers te bereiken dan alleen het voldoen aan wettelijke publicatievoorschriften.
5. Beoordeling
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat eisers het bezwaarschrift te laat hebben ingediend. Tussen partijen is in geschil of die termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.2
Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van Pro de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. [8]
5.3
De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren, omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
5.4
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [9] volgt dat als hoofdregel geldt dat, indien publicatie van de omgevingsvergunning heeft plaatsgevonden, termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Uitgangspunt is immers dat belanghebbenden daarvan kennis hadden kunnen en behoren te nemen.
5.5
Ten tijde van het primair besluit was de Wet elektronische publicaties (namelijk op 1 juli 2020) in werking. [10] Die wet heeft onder andere de Wabo en de Bekendmakingswet gewijzigd. Op grond van artikel 3.9, eerste lid, onder a, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 12 van Pro de Bekendmakingswet moest het college tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de omgevingsvergunning daarvan mededeling doen via publicatie in het gemeenteblad. De rechtbank is niet gebleken van wet- of regelgeving waaruit blijkt dat het college daarnaast ook op andere wijze kennis had moeten geven van het primaire besluit. In de Memorie van Toelichting [11] bij de Wet elektronische publicaties staat toegelicht waarom niet is gekozen voor de mogelijkheid dat naast de rechtsgeldige elektronische bekendmaking tevens rechtsgeldig via papieren media bekend kan worden gemaakt. Daar is expliciet niet voor gekozen, omdat daar het bezwaar aan kleeft dat bij bekendmaking zowel langs elektronische weg als langs conventionele weg een zeker risico bestaat dat verschillen optreden in de gepubliceerde tekst of in de datum van publicatie met nadelen voor de rechtszekerheid als gevolg. Dat betekent dat de officiële, elektronische, publicatiebladen zijn aangewezen als het medium waar de publicaties moeten worden gedaan. Eventuele andere publicaties, zoals de papieren publicaties in de huis-aan-huisbladen, kunnen worden voortgezet, maar deze publicaties hebben het karakter van een aanvullende service.
5.6
Ten tijde van het primair besluit volgde uit artikel 2.14, tweede lid, van de Awb, dat uitsluitend publicatie op een website niet mogelijk was, indien deze mogelijkheid niet bij wettelijk voorschrift was geopend. [12] Uit rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat het moest gaan om een wettelijke bepaling waaruit volgde dat deze berichten bij uitsluiting elektronisch worden verzonden. [13] De rechtbank is van oordeel dat die bepaling niet in de weg stond aan een uitsluitend elektronische kennisgeving van het primair besluit. Zoals de rechtbank in overweging 5.5 heeft overwogen bleek ten tijde van het primair besluit uit artikel 3.9 van de Wabo in samenhang met artikel 12 van Pro de Bekendmakingwet, dat uitsluitend werd kennisgegeven van omgevingsvergunningen via het elektronische gemeenteblad.
5.7
Gelet op het voorgaande mocht het college dus volstaan met een publicatie van de verleende omgevingsvergunning in het elektronisch gemeenteblad.
5.8
Van het primaire besluit is mededeling gedaan in het Gemeenteblad 2024 nr. 49658 van 31 januari 2024. Daarmee is kort na de bekendmaking van de omgevingsvergunning mededeling gedaan van het primaire besluit, zodat eisers op die wijze op de hoogte hadden kunnen zijn van de verlening van de omgevingsvergunning. Het antwoord op de vraag of vergunninghoudster eisers heeft geïnformeerd over het bouwplan, acht de rechtbank daarom niet relevant. De omgevingsdialoog is niet bedoeld om het omwonenden eenvoudig te maken om bezwaar in te dienen. Het is de verantwoordelijkheid van eisers zelf om in de gaten te houden wanneer besluiten worden genomen door het gemeenteblad te raadplegen. Dat eisers dat destijds niet hebben gedaan, komt voor hun rekening en risico. De omgevingsvergunning is dus op de juiste wijze gepubliceerd. Dit heeft tot gevolg dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De overige door eisers aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders.
6. Conclusie
6.1
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
6.2
Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 25 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Gemeenteblad 2024, nr. 49658.
2.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 3:11 van Pro de Awb.
6.CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406.
7.Pagina 23-26.
8.ABRvS 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6385, r.o. 4.2.
9.ABRvS 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4876, r.o. 3.2.
10.Staatsblad 2020, 262.
12.Als gevolg van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer is artikel 2.14, tweede lid, van de Awb per 1 januari 2026 uit de Awb verdwenen. Zie: Staatsblad 2024, 321.
13.ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406, r.o. 4.3.