ECLI:NL:RBZWB:2026:2179

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/6755 en 24/6754
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering en beëindiging Ziektewetuitkering bevestigd door rechtbank

Eiser, werkzaam als monteur afmontage, viel uit wegens rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij 23,82% arbeidsongeschikt is, onvoldoende voor een WIA-uitkering. Eiser ontving daarna een WW-uitkering, die eindigde waarna een Ziektewetuitkering werd toegekend. Deze werd later beëindigd omdat eiser geschikt werd geacht voor zijn eigen werk.

Eiser voerde aan dat zijn medische situatie ernstiger was dan vastgesteld en dat de beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door artsen en verzekeringsartsen, die geen aanwijzingen vonden voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid of toegenomen beperkingen.

De functies die het UWV als passend aanmerkte (administratief medewerker, inpakker, telefonist) werden als geschikt beoordeeld. Eiser bracht geen overtuigend bewijs dat hij deze functies niet kon verrichten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waardoor de besluiten van het UWV standhouden en eiser geen recht heeft op WIA-uitkering of voortzetting van de Ziektewetuitkering.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en de Ziektewetuitkering heeft beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6755 WIA en 24/6754 ZW

uitspraak van 25 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting1.Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser en de beëindiging van de uitkering op basis van de Ziektewet (ZW). Eiser is het met deze besluiten niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen en of UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.

1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen en dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 is de verwijzing naar het wettelijk kader in de bijlage opgenomen. De beoordeling door de rechtbank van de weigering van de WIA-uitkering en de beëindiging van de ZW-uitkering volgen respectievelijk onder 5 en 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als monteur afmontage voor 40,77 per week. Voor dat werk is hij uitgevallen op 21 juni 2021 vanwege rugklachten. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.

Procesverloop

3.1
Het UWV heeft met het besluit van 19 juni 2023 (primair besluit I) geweigerd per 19 juni 2023 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV heeft vastgesteld dat eiser minder dan 35% (te weten 23,82%) arbeidsongeschikt is. Eiser werd ongeschikt geacht voor de eigen functie. Hij werd wel geschikt geacht voor de volgende geduide functies: administratief medewerker (SBC-code 315133), inpakker (SBC-code 111190) en telefonist (SBC-code 315174).
3.2
Met de beslissing op bezwaar van 23 augustus 2024 (bestreden besluit I) heeft het UWV eisers bezwaar tegen de weigering een WIA-uitkering toe te kennen ongegrond verklaard.
3.3
Eiser ontving sinds 19 juni 2023 een werkloosheidsuitkering (WW) van het UWV. Hij heeft zich op 21 maart 2024 ziek gemeld vanwege toegenomen klachten; een drukkende pijn in de nek en toegenomen hoofdpijn. In verband met het bereiken van de maximale uitkeringstermijn is de WW-uitkering beëindigd per 3 mei 2024. Met het besluit van 8 mei 2024 is aan eiser vanaf 6 mei 2024 een ZW-uitkering toegekend.
3.4
Met het primair besluit (primair besluit II) wordt eiser vanaf 10 mei 2024 geacht geschikt te zijn voor het eigen werk en daarom is de ZW-uitkering per die datum beëindigd. Het UWV heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de belastbaarheid van eiser sinds de WIA-beoordeling niet is gewijzigd. Hij is daarom in staat om ‘zijn arbeid’, te weten de voorbeeldfuncties die in de WIA-procedure zijn geduid, te verrichten.
3.5
Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het beëindigen van de ZW-uitkering ongegrond verklaard.
3.6
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
3.7
Het UWV heeft in beide procedures op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
3.8
De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich, met voorafgaand bericht, afgemeld voor de zitting.
3.9
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting in beide procedures geschorst en eiser verzocht een stuk van [organisatie] te overleggen dat wordt genoemd in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van 16 augustus 2024. Eiser en het UWV hebben hierop gereageerd.
3.1
De rechtbank heeft vervolgens met de brieven van 25 februari 2026 het onderzoek in beide procedures gesloten.
Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Weigering WIA-uitkering per 19 juni 2023 (bestreden besluit I, zaaknummer 24/6755)
Grondslag bestreden besluit I
5. Aan het bestreden besluit I heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35%, te weten 23,82% arbeidsongeschikt is.
Toetsingskader
5.1
Bij de beoordeling of het bestreden besluit I juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen in bestreden besluit I juist vastgesteld?
5.2
Het bestreden besluit I, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op het rapport van een arts van 2 juni 2023 en het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV van 16 augustus 2024.
5.3
De primaire arts heeft dossieronderzoek verricht en eiser gezien op het spreekuur van 30 mei 2023. De arts heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht en kennis genomen van (onder meer) de rapportage van Ergatis van 15 december 2022. De arts rapporteert dat bij eiser sprake is van nekpijn, lumbago met ischialgie en PTSS. Er is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiser valt niet onder de uitzonderingscategorieën genoemd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Hij zal niet binnen drie maanden alle benutbare mogelijkheden verliezen. Er is bovendien geen sprake van een terminale ziekte met een zeer slechte levensverwachting waardoor binnen afzienbare termijn verlies van mogelijkheden te verwachten is. Eiser is ook niet wisselend belastbaar. Eiser is niet opgenomen in een ziekenhuis of instelling en is niet bedlegerig. Hij is lichamelijk niet zodanig beperkt dat sprake is van ADL-afhankelijkheid en er is evenmin sprake van disfunctioneren op persoonlijk of sociaal gebied.
Eiser is aangewezen op licht fysiek werk, waarbij rug en bekken niet zwaar belast dienen te worden. Uit de medische informatie blijkt dat eiser invaliderende lumbago heeft met posttraumatische restklachten ten gevolge van een auto-ongeluk in 2016. Er was toen sprake van meerdere fracturen in rug en bekken die goed genezen zijn. De mate van genezing is niet duidelijk. Enkele verschijnselen waren door de chirurg geobjectiveerd, zoals rug-fixatie (bij het functieonderzoek en hypertonie van de paravertebrale spieren). Er kan resterende pathologie in de wekedelen aanwezig zijn. Het afwijkende bewegingsverloop was geobjectiveerd middels een belastbaarheidsonderzoek. De afwijkingen in de nek zijn sinds 2016 bekend en hierdoor was eiser voor 11% arbeidsongeschikt.
De beperkingen, zoals vastgesteld door de verzekeringsarts van Ergatis op 15 december 2022, zijn vrijwel volledig overgenomen. Deze zijn vijf maanden eerder vastgesteld en de medische situatie is niet veranderd. Uit de anamnese en het onderzoek blijkt dat het beloop sinds december 2022 blijvend stabiel is. De beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren worden overgenomen, omdat eiser bekend is met PTSS en uit de anamnese blijkt dat hij nog last van restverschijnselen heeft. De verzekeringsarts heeft tevens gerapporteerd dat er voor de beperking in zelfstandig vervoer geen medische grond is. De prognose is volgens de arts redelijk tot goed: er is verwachting op verbetering van de belastbaarheid in het komende jaar of daaropvolgende jaar.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 juni 2023. Er zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen en werktijden.
5.4
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, eiser gezien op het spreekuur van 20 maart 2024, hem daar lichamelijk onderzocht, geobserveerd en oriënterend psychisch onderzocht. Bij de beoordeling is aanvullende informatie van 5 augustus 2024 (de orthopedische expertise van Devimed van 24 juli 2024) betrokken.
De verzekeringsarts b&b rapporteert dat de bezwaren van eiser geen aanleiding geven om het standpunt van de primaire verzekeringsarts te herzien. Daarbij overweegt hij dat de oordeelsvorming van de primaire verzekeringsarts zorgvuldig tot stand is gekomen. De klachten van eiser zijn onderkend en betrokken in de gevalsbehandeling. Er is sprake van uitvoerige verslaglegging van het klachtenbeeld en van de actuele medische en sociale situatie. Er is onderzoek verricht door de verzekeringsarts, waarbij de stoornissen zijn geobjectiveerd. Bij de beoordeling van de mogelijkheden om te functioneren is rekening gehouden met de aard en de ernst van de stoornissen en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Van nieuwe psychische problemen of beperkingen of toename van lichamelijke beperkingen is niet gebleken. De verzekeringsarts b&b komt dan ook tot de conclusie dat de primaire beslissing gehandhaafd kan blijven. Er is volgens hem geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsarts, en daarmee de FML, te wijzigen.
5.5
Eiser heeft tegen het bestreden besluit I aangevoerd dat verweerder de medische en arbeidsdeskundige aspecten van zijn bezwaren onvoldoende heeft meegewogen. Eiser stelt dat zijn klachten, zijn medische situatie en medische voorgeschiedenis van dien aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is dat hij niet in staat is bedrijfsmatige werkzaamheden uit te voeren. Eiser voert aan dat de in de (kritische) FML geduide beperkingen onvoldoende weergeven wat de staat van zijn gezondheid respectievelijk zijn arbeids(on)geschiktheid is. Hij verwijst verder naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd.
5.6.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat in het rapport van de verzekeringsarts b&b staat vermeld dat eiser in de bezwaarfase informatie van [organisatie] zou hebben overgelegd. Een dergelijk stuk bevindt zich niet in het dossier en het UWV heeft laten weten niet over het stuk te beschikken. Op de schriftelijke vraag van de rechtbank heeft eiser aangegeven dergelijke informatie niet te hebben overgelegd. Het UWV heeft daarop te kennen gegeven dat hij aannemelijk acht dat sprake is van een vergissing en dat er geen medische informatie van [organisatie] is. Omdat beide partijen het standpunt innemen dat een dergelijk stuk niet bestaat zal de rechtbank daarvan uitgaan en deze passage in het rapport buiten beschouwing laten.
5.6.2
De rechtbank is verder van oordeel dat het medisch onderzoek door de arts en verzekeringsarts b&b voldoende zorgvuldig is verricht. Uit hun rapportages blijkt dat zij op de hoogte waren van de klachten van eiser, waaronder zijn klachten aan de nek en rug en zijn psychische klachten. De artsen hebben naar die klachten onderzoek verricht, eiser persoonlijk gezien, hem zowel psychisch als lichamelijk onderzocht en dossieronderzoek verricht, en de medische informatie betrokken en gewogen. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank geen onderzoeksactiviteiten gemist.
5.6.3
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor de conclusie dat de (verzekerings)artsen eisers belastbaarheid op datum in geding 19 juni 2023 niet juist hebben ingeschat. Voor zover eiser vindt dat hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is overweegt de rechtbank dat de primaire arts afdoende heeft gemotiveerd dat daarvan geen sprake is. Eiser voldoet niet aan de criteria van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Dat kan alleen als eiser zou zijn opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling, bedlegerig is, ADL-afhankelijk is of als gevolg van een ernstige psychische stoornis psychisch niet zelfredzaam is. Dat is bij eiser op datum in geding niet aan de orde.
5.6.4
Eiser heeft verder in het algemeen gesteld dat de in de FML opgenomen beperkingen onvoldoende de staat van zijn gezondheid weergeven en verwezen naar zijn bezwaargronden. De rechtbank vindt dat een onvoldoende betwisting. Eiser heeft niet nader onderbouwd welke specifieke klachten of beperkingen zijn onderschat. Evenmin heeft hij onderbouwd waarom de bezwaargronden, die zien op primair besluit I, van toepassing zijn op bestreden besluit I. In bestreden besluit I en de onderliggende rapportage van de verzekeringsarts b&b is immers op die bezwaargronden ingegaan. Er is in beroep ook geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat eiser meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen. Ter zitting zijn eiser en zijn gemachtigde niet verschenen, zodat de rechtbank ter zitting geen vragen kon stellen over de beroepsgronden en het standpunt van eiser. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de (verzekerings)artsen.
5.6.5
Nu niet is gebleken dat in de FML van 3 juni 2023 de beperkingen van eiser zijn onderschat, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5.7
Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: administratief medewerker (SBC-code 315133), inpakker (SBC-code 111190) en telefonist (SBC-code 315174).
De arbeidsdeskundige b&b heeft deze functies beoordeeld op geschiktheid en eveneens voor eiser geschikt bevonden.
5.8
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hij kan deze functies vanwege zijn klachten en beperkingen niet uitvoeren.
5.9
De beroepsgronden geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals eerder overwogen acht de rechtbank die opvatting niet juist.
De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
5.1
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 23,82%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 19 juni 2023. Het beroep tegen bestreden besluit I wordt daarom ongegrond verklaard.
Beëindiging ZW-uitkering per 10 mei 2024 (bestreden besluit II, zaaknummer 24/6754)
6. Aan bestreden besluit II heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser geschikt is om zijn eigen werk te verrichten.
Toetsingskader bestreden besluit II
6.1
Bij de beoordeling of het bestreden besluit II juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt verstaan de laatst verrichte arbeid. Als er in het kader van de WIA-beoordeling functies zijn geduid en eiser daarna niet meer heeft gewerkt, dan worden de geduide functies aangemerkt als ‘zijn arbeid’.
6.2
De rechtbank stelt vast dat de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies van administratief medewerker (SBC-code 315133), inpakker (SBC-code 111190) en telefonist (SBC-code 315174) aangemerkt moeten worden als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW.
6.3
Uit rechtspraak van de CRvB [1] volgt het volgende toetsingskader als eerder een WIA-beoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld:
Stap 1: zijn de beperkingen bij de nieuwe ziekmelding toegenomen ten opzichte van de beperkingen vastgesteld bij de WIA-beoordeling? Zo nee, dan is deze vaststelling voldoende om de weigering van ZW te kunnen dragen.
Stap 2: zijn de beperkingen toegenomen, dan zal beoordeeld moeten worden of de eerder geduide functies geschikt zijn. Deze beoordeling kan in eerste instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid. Als er ook arbeidskundige gronden naar voren worden gebracht, zullen die ook beoordeeld moeten worden.
Stap 3: als een of meer functies niet geschikt zijn, moeten er, van de oorspronkelijk geselecteerde functies, tenminste 3 geschikte functies met 3 arbeidsplaatsen overblijven die leiden tot een mate van arbeidsgeschiktheid van tenminste 65%.
Zijn de beperkingen toegenomen?
6.4.
Bestreden besluit II is gebaseerd op de rapportages van een verzekeringsarts van 3 mei 2024 en een verzekeringsarts b&b van 16 augustus 2024.
6.5
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser op 17 april 2024 gezien en hem psychisch en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts heeft in zijn onderzoek met name de informatie uit de rapportage van [arts] van 2 juni 2023 betrokken. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser zich ziek heeft gemeld met een toename van nekklachten en hoofdpijn. Daarnaast vermeldt eiser dat er sprake is van psychische klachten. Er is sprake van acceptatieproblematiek. Eiser heeft in verband met de toegenomen klachten geen onderzoek of behandeling opgestart. Volgens de verzekeringsarts zijn er – op basis van de huidige onderzoeksbevindingen ten opzichte van voorgaande rapportages en de informatie van de curatieve sector – op dit moment geen medische aanwijzingen die een verdere toename van beperkingen onderbouwen. Eiser werd in de reeds opgestelde FML onder andere beperkt geacht voor de nekfunctie en ook ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat, gelet op de reeds vastgestelde beperkingen, de FML gehandhaafd kan blijven, op basis waarvan eiser weer geschikt wordt geacht voor de eerder geduide functies.
6.6
De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht. Hij heeft eiser eerder gezien op het spreekuur van 20 maart 2024 in het kader van zijn WIA-zaak. In die WIA-zaak heeft de verzekeringsarts b&b medische informatie van [orthopeed] van 24 juli 2024 ontvangen en betrokken. De verzekeringsarts b&b stelt dat de primaire verzekeringsarts op alle aanwezige medische gronden klantgericht onderzoek heeft verricht. Alle klachten van betrokkene zijn goed uitgevraagd, het dagverhaal is uitgevraagd en daarnaast was relevante medische informatie beschikbaar. Behoudens de al bekende expertise van [orthopeed] zijn er geen nieuwe medische onderzoeken naar voren gebracht of nieuwe medische problemen. Uit de rapportage van de orthopeed blijkt dat er geen nieuwe bevindingen zijn die het geclaimde ernstige onvermogen kunnen verklaren. Ook dit uitgebreide rapport vormt volgens de verzekeringsarts B&B geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen, eerder minder. De informatie is in lijn met de eerder overgelegde gegevens en sluit aan bij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft dan ook geconcludeerd dat het ingediende bezwaar geen aanleiding vormt om eiser minder belastbaar te achten per datum in geding.
6.7
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in de beslissing en verwijst ook in deze procedure naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd. Eiser stelt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met alle (medische) gegevens die hij heeft overgelegd. Eiser voert aan dat sprake is van ernstigere gebreken en beperkingen dan in de beslissing is overwogen, en stelt dan ook dat hij minder belastbaar is. Eiser geeft aan dat hij zich niet in staat acht bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten.
6.8
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van eisers klachten, waaronder zijn (gestelde toegenomen) nekpijn en hoofpijn. De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. De primaire verzekeringsarts heeft eiser gezien, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en daarbij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts en zijn eigen bevindingen in het kader van de WIA-beoordeling betrokken. Daarmee is het onderzoek voldoende zorgvuldig verricht.
De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. Eiser claimt verergering van zijn nek- en hoofdpijnklachten. De subjectieve beleving en ervaring van klachten is echter niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in medisch objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Ook in deze procedure geldt dat een nadere onderbouwing waarom het standpunt van de verzekeringsartsen niet juist zou zijn ontbreekt. Eiser heeft in beroep geen medische stukken ingebracht, waaruit blijkt dat sprake is van meer beperkingen op de datum in geding. De enkele stelling van eiser dat hiervan sprake is, is daartoe onvoldoende. De rechtbank acht het standpunt van de verzekeringsartsen navolgbaar, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen.
6.9
Op grond van het voorgaande heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser arbeidsgeschikt is voor de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies. Het UWV heeft daarom terecht de ZW-uitkering beëindigd per 10 mei 2024. Het beroep tegen bestreden besluit II wordt daarom ongegrond verklaard.

Conclusie en gevolgen

7.1
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten I en II standhouden. Er verandert voor eiser niets.
7.2
Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser de griffierechten niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. Oulad el Hadj, griffier, op 25 maart 2026en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage wettelijk kader
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Ziektewet
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA of een EZWb – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb of WIA geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb of WIA vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb of WIA geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. [2]

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1011