ECLI:NL:RBZWB:2026:2217

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/5152
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij parkeervoorziening

Eiseres diende een aanvraag in voor een parkeervoorziening, waarop het college van burgemeester en wethouders van Tilburg bij brief van 6 augustus 2025 mededeelde dat de voorziening gerealiseerd zou worden. Eiseres maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is.

Eiseres stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting op 24 februari 2026 bevestigde de gemachtigde van eiseres dat de parkeervoorziening inmiddels was gerealiseerd. De rechtbank stelde ambtshalve vast dat eiseres geen procesbelang had, omdat het beroep geen verbetering van haar positie zou opleveren.

De rechtbank oordeelde dat een louter formeel of principieel belang onvoldoende is voor procesbelang en dat ook het argument van eiseres dat zij proceskosten wil vergoed krijgen niet tot ontvankelijkheid leidt. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5152 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.W. Masselink),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg

(gemachtigde: mr. D.L.M. Claessen).

Inleiding

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervoorziening. Bij brief van 6 augustus 2025 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat de parkeervoorziening zal worden gerealiseerd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 10 september 2025 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat bezwaar alleen open staat tegen een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de mededeling geen besluit is.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft bij het voorliggende beroep. Uit vaste rechtspraak [1] vloeit voort dat pas sprake is van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
2.1.
De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de parkeervoorziening is gerealiseerd. De rechtbank stelt vast dat zelfs indien zij tot de conclusie zou komen dat het college ten onrechte het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, dit oordeel eiseres niet in een betere positie brengt. Voor zover eiseres betoogt dat zij belang heeft vanwege de proceskosten die zij heeft gemaakt, gaat de rechtbank daar niet in mee. Als een beroep niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang, kan er niet alsnog een belang worden ontleend aan de wens om een vergoeding te krijgen van de proceskosten. [2] Nu de rechtbank van enig belang niet is gebleken, dient het beroep naar het oordeel van de rechtbank niet ontvankelijk te worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt eiseres haar griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.