ECLI:NL:CRVB:2022:2630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen disciplinaire straf en rangdegradatie politieambtenaar
Betrokkene, sinds 1983 werkzaam bij de politie, werd door de korpschef met toepassing van artikel 77 Barp Pro bestraft met plaatsing in een lagere salarisschaal en een verplichte training, en ontheven uit zijn functie met plaatsing in een lagere functie voor twee jaar. Tevens werd betrokkene in rang gedegradeerd. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de rangdegradatie betrof, omdat de rangverlaging niet op wettelijke grondslag berustte. De korpschef stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep onderzocht ambtshalve of de korpschef voldoende procesbelang had bij het hoger beroep. De korpschef gaf aan dat de periode van twee jaar inmiddels was verstreken en betrokkene was teruggekeerd in zijn oorspronkelijke functie en rang. Het belang van de korpschef was slechts principieel vanwege lopende soortgelijke zaken.
De Raad oordeelde dat een louter principieel belang onvoldoende is voor procesbelang en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 december 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.