Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar verzoek op grond van de Wet open overheid. De minister heeft niet tijdig beslist op het bezwaar, waardoor eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de minister de beslistermijn van zes weken na het indienen van de bezwaargronden heeft overschreden. De minister had uiterlijk op 29 augustus 2025 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan en ook de verlengingstermijnen waren niet rechtsgeldig.
De rechtbank legt de minister op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, omdat de minister heeft aangegeven dat herbeoordeling en zorgvuldige besluitvorming tijd vergen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast moet de minister het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden, omdat het beroep gegrond is verklaard. De rechtbank wijst erop dat dit een eerste beroep is en dat de situatie niet vergelijkbaar is met eerdere zaken waarin lagere dwangsommen werden overwogen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 april 2026 door rechter A.G.J.M. de Weert.