Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een ex-werknemer op grond van de WIA. De aanvraag werd ingediend op 11 oktober 2024 en ontvangen op 16 oktober 2025, waarna eiseres het UWV op 23 juli 2025 in gebreke stelde. De rechtbank constateert dat de beslistermijn inmiddels is verstreken en verklaart het beroep kennelijk gegrond.
Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen en verzocht om een beslistermijn van 40 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen, maar wijst het verzoek voor een langere termijn af. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt.
De rechtbank stelt vast dat het UWV reeds een bestuurlijke dwangsombeslissing heeft genomen en verklaart zich onbevoegd om het UWV te bevelen tot betaling daarvan. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 9 april 2026.