Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op bezwaar tegen beëindiging van zijn Ziektewetuitkering. De rechtbank constateerde dat het UWV door een structureel tekort aan verzekeringsartsen niet binnen de wettelijke termijn kon beslissen en verklaarde het beroep gegrond.
De rechtbank stelde een nadere beslistermijn vast: binnen 30 weken voor werknemersberoepen en binnen 40 weken voor werkgeversberoepen, gerekend vanaf ontvangst van het beroep ntb door de rechtbank. Voor reeds aanhangige zaken geldt een kortere termijn van respectievelijk acht en achttien weken na verzending van de uitspraak. De dwangsom werd vastgesteld op €100 per dag met een maximum van €15.000.
De rechtbank erkende de problematiek bij het UWV en benadrukte dat een onrealistisch korte termijn onzorgvuldigheid zou veroorzaken, terwijl een te lange termijn de rechtsbescherming ondermijnt. Daarnaast werd een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- vastgesteld vanwege overschrijding van de maximale termijn voor dwangsommen.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiser en benadrukte dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt geacht spoedig maatregelen te nemen om de problematiek van verzekeringsartsentekorten aan te pakken.
De uitspraak biedt een duidelijk kader voor toekomstige beroepen ntb tegen het UWV in medische advieszaken en balanceert de belangen van zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming.