Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
- het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [werkgever] op alle gronden af te wijzen of [werkgever] niet-ontvankelijk te verklaren;
- [werkgever] te veroordelen in de kosten van deze procedure;
- De arbeidsovereenkomst te ontbinden met inachtneming van de volle opzegtermijn van vier maanden en niet eerder dan per 1 juli 2026;
- [werkgever] te veroordelen tot het betalen van de transitievergoeding van € 14.727,87 bruto aan [werknemer] ;
- [werkgever] te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding van € 80.000,00 bruto aan [werknemer] ;
- [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen;
- [werkgever] te gelasten om uiterlijk 14 dagen na de ontbindingsdatum een correcte en gespecificeerde eindafrekening op te stellen, te verstrekken en uit te betalen aan [werknemer] met betrekking tot niet genoten vakantiedagen, vakantiegeld en eindejaarsuitkering, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag indien zij hiermee in gebreke blijft;
- [werkgever] te veroordelen in de integrale proceskosten, te begroten op € 10.000,00.
4.De beoordeling
fictief dienstverband” is, en de omstandigheid dat voor alimentatie sec geen verplichting tot werk is.
zal werken”in loondienst van een van de besloten vennootschappen van [naam 1] en in de vierde alinea staat dat de besloten vennootschap waarvoor [werknemer] “
werkt”, € 1.500,00 netto, te vermeerderen met vakantietoeslag, aan haar betaalt (zie punt 2.2.). [werknemer] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij niet hoefde te werken. De omstandigheid dat [werkgever] haar na de werkzaamheden in september 2013 pas weer in januari 2024 heeft opgeroepen voor een werkoverleg, maakt op zichzelf nog niet dat [naam 1] dus voor [werknemer] een vrijstelling voor het werk was. Gelet op de moeizame relatie tussen [werknemer] en [naam 1] , die blijkt uit de diverse procedures die zij tegen elkaar voeren en hebben gevoerd, was het begrijpelijk dat [werkgever] [naam 1] eerder voor koos [werknemer] niet op te roepen om te werken.
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten. Daarom geldt [naam 1] geen opzegtermijn voor [werkgever] (artikel 7:671b lid 9 sub b BW). De kantonrechter bepaalt de einddatum van de arbeidsovereenkomst op 9 april 2026.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 34). Daarvan is niet gebleken.