Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2838

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/3845 en 25/4772
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 5 onder b LPWArt. 6 LPWArt. 8 LPWArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaarschriften vrijstelling leerplichtwet

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen beslissingen van het college van burgemeester en wethouders van Altena waarin haar bezwaarschriften tegen de afwijzing van haar beroep op vrijstelling van de leerplicht niet-ontvankelijk werden verklaard voor de schooljaren 2024/2025 en 2025/2026.

De rechtbank oordeelt dat de brieven waartegen bezwaar is gemaakt geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat zij geen publiekrechtelijke rechtshandelingen bevatten en niet gericht zijn op rechtsgevolgen. De vrijstelling van de leerplicht ontstaat van rechtswege indien aan de voorwaarden van artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet is voldaan, en wordt niet verleend bij een besluit waartegen bezwaar mogelijk is.

De inhoudelijke gronden van eiseres over haar bedenkingen tegen de onderwijsrichting en de gevolgen van het niet verkrijgen van vrijstelling vallen buiten de reikwijdte van dit geding. De rechtbank bevestigt dat het college terecht de bezwaarschriften niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de beroepen ongegrond zijn. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

De rechtbank wijst erop dat het Openbaar Ministerie terughoudend is met vervolging wegens absoluut schoolverzuim, maar dat dit niet is uitgesloten. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen van eiseres ongegrond omdat de brieven geen besluiten zijn waartegen bezwaar mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: 25/2845 en 25/4772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.

Procesverloop

Eiseres heeft op 21 mei 2025 beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het college van 22 april 2025 (met kenmerk: 2025-006540), over het beroep van eiseres op vrijstelling van de verplichting uit de Leerplichtwet (LPW) tot inschrijving van haar dochter op een school voor het schooljaar 2024/2025 (bestreden besluit I).
Eiseres heeft daarnaast op 16 september 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college (met kenmerk 2025-023926), over het beroep van eiseres op vrijstelling van de verplichting uit de LPW tot inschrijving van haar dochter op een school voor het schooljaar 2025/2026 (bestreden besluit II).
De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres was samen met haar gemachtigde aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [persoon 1] en [persoon 2] (leerplichtambtenaar).

Beoordeling door de rechtbank

1. De feiten
1.1
Schooljaar 2024/2025
1.1.1
In een brief van 24 november 2024 en aan de hand van een ingevuld digitaal formulier van 29 november 2024 heeft eiseres aan het college een kennisgeving gestuurd dat zij ten aanzien van het schooljaar 2025/2025 een beroep doet op de vrijstelling van de verplichting tot inschrijving op een school, zoals bedoeld in artikel 5, onder b, van de LPW.
1.1.2
In een e-mailbericht van 6 februari 2025 heeft de leerplichtambtenaar eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 18 februari 2025. De leerplichtambtenaar heeft in het e-mailbericht aangegeven vragen te hebben over het beroep op vrijstelling en over de bedenkingen tegen de richting van de scholen.
1.1.3
Eiseres heeft in een e-mailbericht van 7 februari 2026 medegedeeld dat ze niet aanwezig kon zijn bij dat gesprek. Bij dat e-mailbericht heeft zij een scholenlijst gevoegd en een toelichting waarom zij de bedenkingen tegen de scholen niet kenbaar wil maken.
1.1.4
De leerplichtambtenaar heeft in een e-mailbericht van 20 februari 2025 aan eiseres medegedeeld dat het beroep op vrijstelling niet duidelijk genoeg was en niet voldeed aan de voorwaarden. De leerplichtambtenaar heeft eiseres opnieuw verzocht aan te geven welke bedenkingen zij tegen de richting van het onderwijs heeft.
1.1.5
Eiseres heeft daar op 27 februari 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.1.6
In een brief van 18 maart 2025 heeft de leerplichtambtenaar aan eiseres medegedeeld dat is geconstateerd dat het beroep van eiseres op de vrijstelling niet voldeed aan de eisen die daaraan bij of krachtens de LPW zijn gesteld. Dit betekent dat het recht op vrijstelling volgens de leerplichtambtenaar niet kon worden vastgesteld. De leerplichtambtenaar heeft eiseres verzocht haar dochter daarom in te schrijven op een school. De leerplichtambtenaar heeft dit verzoek in een brief van 8 april 2025 herhaald.
1.1.7
Eiseres heeft op 16 april 2025 bezwaar gemaakt tegen de brief van 18 maart 2025.
1.1.8
Bij bestreden besluit I heeft het college aan eiseres medegedeeld dat geen sprake is geweest van een besluit waar bezwaar tegen mogelijk was. Als het beroep op vrijstelling voldoet aan de voorwaarden ontstaat de vrijstelling van rechtswege. De brieven van 27 februari 2025 en 16 februari 2025 zijn geen bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.9
Eiseres heeft daar op 21 mei 2025 beroep tegen ingesteld.
1.2
Schooljaar 2025/2026
1.2.1
In een brief van 28 mei 2025 heeft eiseres aan het college een kennisgeving gestuurd dat zij ten aanzien van het schooljaar 2025/2026 een beroep doet op de vrijstelling van de verplichting tot inschrijving op een school, zoals bedoeld in artikel 5, onder b, van de LPW. Daarbij heeft eiseres een overzicht van scholen gevoegd en een toelichting waarom zij de bedenkingen tegen de scholen niet kenbaar wil maken.
1.2.2
In een brief van 1 juli 2025 heeft de leerplichtambtenaar eiseres verzocht om een verklaring als bedoeld in artikel 8 van Pro de LPW.
1.2.3
In een brief van 15 juli 2025 heeft de leerplichtambtenaar aan eiseres medegedeeld dat is geconstateerd dat het beroep van eiseres op de vrijstelling niet voldeed aan de eisen die daaraan bij of krachtens de LPW zijn gesteld. Dit betekent dat het recht op vrijstelling volgens de leerplichtambtenaar niet kon worden vastgesteld. De leerplichtambtenaar heeft eiseres verzocht haar dochter daarom in te schrijven op een school.
1.2.4
Eiseres heeft daar op 23 juli 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.2.5
Bij bestreden besluit II heeft het college aan eiseres medegedeeld dat geen sprake is geweest van een besluit waar bezwaar tegen mogelijk was. Als het beroep op vrijstelling voldoet aan de voorwaarden ontstaat de vrijstelling van rechtswege. De brief van 23 juli 2025 is geen bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.6
Eiseres heeft daar op 16 september 2025 beroep tegen ingesteld.
2. Wettelijk kader
2.1
Een besluit is op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een beslissing bevat een rechtshandeling, wanneer de beslissing is gericht op een rechtsgevolg.
Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte beslissing is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen. [1] Een beslissing bevat een publiekrechtelijke rechtshandeling, wanneer de beslissing is gebaseerd op een wettelijk voorschrift waarin aan het bestuursorgaan de bevoegdheid is toegekend om eenzijdig de rechtspositie (rechten en plichten) van anderen te bepalen. [2]
2.2
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Omvang van het geding
3.1
De rechtbank merkt de brieven waar eiseres beroep tegen heeft ingesteld aan als beslissingen op bezwaar. Uit die brieven blijkt dat het college heeft besloten op de bezwaarschriften van eiseres, door die niet-ontvankelijk te verklaren. Het niet opnemen van een rechtsmiddelenverwijzing onder de brieven en het ontbreken van een dictum waarin uitdrukkelijk sprake is van een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar, is voor het antwoord op de vraag of het college een besluit op bezwaar heeft genomen niet bepalend. [3]
3.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) is een beslissing op bezwaar een besluit waartegen op grond van artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter, ongeacht of het bezwaarschrift zelf ontvankelijk was. [4]
3.3
Ter beoordeling liggen aan de rechtbank daarom twee beslissingen op bezwaar voor waarin de bezwaarschriften van eiseres niet-ontvankelijk zijn verklaard. Gelet daarop kan de rechtbank uitsluitend beoordelen of het college de bezwaarschriften van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De inhoudelijke gronden die eiseres in haar beroepschrift heeft aangevoerd over haar beroep op de vrijstelling voor beide schooljaren, vallen daarom buiten de omvang van dit geding. In het geval dat de rechtbank oordeelt dat het college de bezwaarschriften ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het aan het college om eerst inhoudelijk op de bezwaarschriften te beslissen. [5]
4. Gronden
4.1
Eiseres heeft aangevoerd dat het college haar bezwaarschriften ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brieven waar eiseres bezwaar tegen heeft gemaakt, zijn besluiten als bedoeld in de Awb. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres de volgende argumenten aangevoerd.
4.2
De brieven waar eiseres bezwaar tegen heeft gemaakt, zijn volgens eiseres gericht op verschillende rechtsgevolgen. [6] Het college doet het recht op vrijstelling van de inschrijfplicht teniet. Het college beschouwt eiseres daardoor als absoluut verzuimend en een overtreder van de wet. De leerplichtambtenaar heeft aangekondigd een proces-verbaal absoluut schoolverzuim op te maken. Dit leidt tot ernstige zorgen over de ontwikkeling van de dochter van eiseres, op grond van artikel 7.1.4.1, onder e, van de Jeugdwet. Daarnaast leidt het ertoe dat eiseres haar dochter in moet schrijven bij een school van een richting waartegen eiseres overwegende bezwaren heeft geuit. Dat haar dochter daar dan staat ingeschreven, heeft ook gevolgen voor latere beroepen op de vrijstelling. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 21 mei 2024. [7]
4.3
Het college heeft volgens eiseres niet kunnen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling over artikel 5, onder b, van de LPW. In die zaken waren de beroepen op vrijstelling van rechtswege ongeldig op grond van artikel 8, tweede lid, van de LPW. Die jurisprudentie is ook niet toepasbaar, omdat de Afdeling voor de inhoudelijke beslechting van het juridische geschil niet meer kan verwijzen naar de strafrechter. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten om ten aanzien van artikel 5, onder b, van de LPW niet meer tot strafvervolging over te gaan, wanneer wordt voldaan aan de formele voorwaarden vermeld in artikel 6 en Pro 8 van de LPW. De civiele rechter heeft een beroep van ouders tegen de afwijzing van een formeel geldig beroep op de vrijstelling in het verleden ook niet-ontvankelijk verklaard. [8] Het gevolg hiervan is dat de bestuursrechtelijke route aangewezen is als binnenlands rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Beoordeling
5.1
De rechtbank is van oordeel dat het college de bezwaarschriften van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brieven waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt, kunnen niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiseres kon daar daarom geen bezwaar tegen maken. [9] De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
5.2
De ouder of verzorger van een jongere is verplicht overeenkomstig de bepalingen van de LPW te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt (de leerplicht). [10] Op de leerplicht bestaan enkele uitzonderingen. De uitzondering waarop eiseres zich beroept staat in artikel 5, onder b, van de LPW. Daarin staat – voor zover hier van belang – dat de ouders of verzorgers vrijgesteld zijn van de leerplicht zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen overwegende bedenkingen hebben.
5.3
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [11] vloeit de vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school is ingeschreven rechtstreeks voort uit artikel 5, onder b, van de LPW, indien een ‘kennisgeving vrijstelling leerplicht‘ is gedaan die voldoet aan de in artikel 6 van Pro de LPW opgenomen vormvoorschriften en de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de LPW. Het betreft dus een wettelijk recht dat – mits voldaan is aan de voorwaarden – automatisch tot gevolg heeft dat vrijstelling ontstaat. De brieven waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt houden daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling in. Die brieven zijn niet op rechtsgevolg gericht. Het zijn slechts mededelingen van informatieve aard waarin is aangegeven dat de dochter van eiseres niet is vrijgesteld van de leerplicht, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden daarvoor en er dus niet automatisch vrijstelling is ontstaan. Deze brieven brengen dus geen verandering in de bevoegdheden, rechten of verplichtingen van eiseres. Er is daarnaast ook geen sprake van een wettelijk voorschrift dat het college of de leerplichtambtenaar de bevoegdheid geeft om op een verzoek tot vrijstelling een inhoudelijke beslissing te nemen.
5.4
De beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd, maken dat oordeel niet anders.
Uit de in overweging 5.3 genoemde vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt niet dat daar sprake was van een situatie dat een beroep op die vrijstelling ongeldig was op grond van artikel 8, tweede lid, van de LPW, zoals eiseres stelt. De door eiseres genoemde rechtsgevolgen vloeien daarnaast voort uit de LPW en niet uit de brieven waar eiseres bezwaar tegen heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is – gelet op de onder 5.3 genoemde rechtspraak van de Afdeling – ook geen sprake van een situatie waarin het recht van eiseres op de vrijstelling ‘teniet’ is gedaan door het college. Uit die rechtspraak volgt dat het recht op vrijstelling nooit automatisch is ontstaan, wanneer niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan. De uitspraak van deze rechtbank van 21 mei 2024 – waar eiseres naar heeft verwezen – acht de rechtbank daarom niet relevant. Ter zitting is ook gebleken dat door het college of de leerplichtambtenaar tot nu toe geen proces-verbaal is opgesteld vanwege absoluut schoolverzuim en dat door hen ook geen aanleiding wordt gezien voor een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming.
5.5
Doordat de vrijstelling van de schoolplicht van rechtswege ontstaat indien aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan, en de vrijstelling dus niet wordt ‘verleend’ bij een – voor bezwaar of beroep vatbaar – besluit van een bestuursorgaan, wordt het beroep op de vrijstelling niet getoetst door de bestuursrechter. De stelling van eiseres dat het EVRM recht geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een onafhankelijke nationale instantie en op een eerlijke en openbare behandeling van haar zaak, maakt het voorgaande niet anders. Of wordt voldaan aan voorwaarden die de LPW stelt aan vrijstelling, kan worden beoordeeld in het kader van een strafrechtelijke procedure waarin een verdachte wordt vervolgd voor een overtreding van de LPW. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het OM op dit moment terughoudend omgaat met vervolging vanwege absoluut schoolverzuim, maar dat vervolging door het OM binnen het arrondissement Zeeland-West-Brabant niet volledig is uitgesloten.
6. Conclusie
6.1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen ongegrond verklaren.
6.2
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 16 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Leerplichtwet 1969 (LPW)
Artikel 5, onder b, van de LPWDe in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk als vavo-student of mbo-student van een instelling staat ingeschreven, zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.

Voetnoten

1.ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1414, r.o. 4.1.
2.ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1711, r.o. 2.2.
3.ABRvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9080, r.o. 4.
4.ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1823, r.o. 6.1 en ABRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3163, r.o. 6.1.
5.ABRvS 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6321, r.o. 2.4.1.
6.ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3065.
7.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3543.
8.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:664.
9.Artikel 8:1 en Pro 7:1 van de Awb.
10.Artikel 2, eerste lid, van de LPW.
11.ABRvS 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6321.