Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2905

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
26/337 e.a.
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen niet-ontvankelijkverklaring omgevingsvergunning bouw recreatiewoningen afgewezen

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de omgevingsvergunning verleend op 6 juni 2025 voor de bouw van twaalf recreatiewoningen op het vakantiepark Parc de Kievit in Baarle-Nassau. Eisers maakten bezwaar tegen deze vergunning, maar het college verklaarde hun bezwaren niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbenden zijn. Eisers stelden dat zij wel belanghebbenden zijn vanwege het verdwijnen van gezamenlijke recreatievoorzieningen en hun parklastenovereenkomst met vergunninghoudster.

De rechtbank stelt vast dat alle eisers op meer dan 100 meter afstand van de bouwlocatie wonen en geen zicht hebben op de bouwlocatie. Dit betekent dat zij geen directe feitelijke gevolgen ondervinden van het besluit. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat alleen wie een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang heeft, belanghebbende is. Het enkele feit dat recreatievoorzieningen verdwijnen is onvoldoende om een persoonlijk belang aan te nemen.

De rechtbank wijst het betoog van eisers af dat het 100-metercriterium onzorgvuldig is en dat alleen de letterlijke tekst van de Awb geldt. Rechtspraak vormt een integraal onderdeel van het recht en verduidelijkt het begrip belanghebbende. De beroepen worden ongegrond verklaard, het college mocht de bezwaren niet-ontvankelijk verklaren en eisers krijgen geen griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 9 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het college de bezwaren niet-ontvankelijk mocht verklaren omdat eisers geen belanghebbenden zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/337, 26/483, 26/485, 26/487 26/489, 26/491, 26/493, 26/495, 26/497, 26/499, 26/501, 26/504, 26/506, 26/508, 26/510, 26/513, 26/515, 26/517, 26/520, 26/522, 26/524, 26/527, 26/529, 26/531, 26/534, en 26/536.

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats 1] , eiser in de zaak 26/337,

[eiser 2] , uit [woonplaats 2] , eiser in de zaak 26/483

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 3] , uit [woonplaats 3] , eiser in de zaak 26/485

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 4] , uit [woonplaats 4] , eiser in de zaak 26/487

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 5] , uit [woonplaats 5] , eiser in de zaak 26/489

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 6] , uit [woonplaats 2] , eiser in de zaak 26/491

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 7] , uit [woonplaats 6] , eiser in de zaak 26/493

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 8] , uit [woonplaats 2] , eiser in de zaak 26/495

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 9] , uit [woonplaats 7] , eiser in de zaak 26/497

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 10] , uit [woonplaats 8] , eiser in de zaak 26/499

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 11] , uit [woonplaats 5] , eiser in de zaak 26/501

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 12] , uit [woonplaats 5] , eiser in de zaak 26/504

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 13] , uit [woonplaats 9] , eiser in de zaak 26/506

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
[eiser 14] ,uit [woonplaats 10] , eiser in de zaak 26/508
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 15] , uit [woonplaats 11] , eiser in de zaak 26/510

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 16] , uit [woonplaats 12] , eiser in de zaak 26/513

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 17] , uit [woonplaats 5] , eiser in de zaak 26/515

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 18] , uit [woonplaats 13] , eiser in de zaak 26/517

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 19] , uit [woonplaats 5] , eiser in de zaak 26/520

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 20] , uit [woonplaats 14] , eiser in de zaak 26/522

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 21] , uit [woonplaats 15] , eiser in de zaak 26/524

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 22] , uit [woonplaats 16] , eiser in de zaak 26/527

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 23] , uit [woonplaats 17] , eiser in de zaak 26/529

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 24] , uit [woonplaats 18] , eiser in de zaak 26/531

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 25] , uit [woonplaats 5] , eiser in de zaak 26/534

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

[eiser 26] , uit [woonplaats 19] , eiser in de zaak 26/536

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
hierna samen aangeduid als eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Parc de Kievit Holding B.V. uit Baarle-Nassau (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissingen op bezwaar van 9 december 2025 (bestreden besluiten) waarmee het college de bezwaren van eisers per eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze bezwaren waren gericht tegen de omgevingsvergunning van 6 juni 2025 voor het bouwen van twaalf recreatiewoningen in het vakantiepark Parc de Kievit, op het adres ‘ [adres] in Baarle-Nassau. Eisers zijn het niet eens dat hun bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard en hebben hiertegen beroep ingesteld. Aan de hand van onder meer de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk mocht verklaren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college dit mocht doen
.Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 11 februari 2025 van vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen. [1] Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op 6 juni 2025. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft het college de bestreden besluiten genomen en de bezwaren niet inhoudelijk behandeld.
2.1.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft deze verzoeken op 3 maart 2026 afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. [2]
2.2.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [eiser 1] , [eiser 6] , [eiser 10] , [eiser 18] en [eiser 25] . Namens het college is verschenen: mr. S.M.J. Janssens. Namens vergunninghoudster zijn verschenen: haar gemachtigde, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .
2.4.
Op dezelfde zitting is ook het beroep behandeld met zaaknummer 26/575.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Vergunninghoudster is beheerder van het vakantiepark Parc de Kievit in Baarle-Nassau. Tussen partijen is niet in discussie dat alle eisers meer dan 100 meter vanaf de beoogde bouwlocatie (recreatief) wonen en dat zij geen zicht hebben op dit perceel. Ook is niet in geschil dat de bouwlocatie een perceel is waar in het verleden de volgende recreatieve voorzieningen zijn gerealiseerd: een grasveld, een jeu de boules-baan, een midgetgolfbaan, een voetbal- en basketbalveld met kooi en een kinderspeeltuin.
De bestreden besluiten
4. Het college heeft in overeenstemming met het advies van de Advies commissie bezwaarschriften de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Eisers zijn geen belanghebbenden omdat zij geen gevolgen van enige betekenis van het bouwplan ondervinden. De recreatiewoningen van eisers staan allemaal op meer dan 100 meter van de bouwlocatie, waardoor niet gesproken kan worden van een geringe afstand en waardoor zij ook geen zicht hebben op de bouwlocatie. [3] Hun belangen zijn daarom niet rechtstreeks bij het besluit betrokken.
Omvang van de beoordeling
5. Omdat de bestreden besluiten alleen oordelen bevatten over de ontvankelijkheid van eisers, vallen de inhoudelijke gronden buiten de omvang van deze procedure en toetst de rechtbank alleen of het college de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk mocht verklaren.
Toetsingskader
6. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Mocht het college besluiten dat eisers geen belanghebbenden zijn?
7. Eisers betogen dat zij wel belanghebbenden zijn en dat het college hun bezwaren daarom wel inhoudelijk had moeten behandelen. Het college kan niet volstaan met het zicht- en afstandscriterium, maar moet ook kijken naar de belangen en rechten die door de omgevingsvergunning worden geschaad. In dit specifieke geval is het belang gelegen in het verdwijnen van centrale gezamenlijke recreatievoorzieningen. Dit is een direct gevolg van de omgevingsvergunning en dat maakt dat eisers belanghebbenden zijn. Tussen eisers en vergunninghoudster geldt een parklastenovereenkomst op grond waarvan zij parklasten betalen voor – onder meer – deze voorzieningen en vergunninghoudster contractuele verplichtingen heeft aan eisers. Zij verwijzen hierbij naar de verschillen met de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 22 juni 2023. [4] In die zaak oordeelde de rechtbank volgens eisers dat geen sprake was van belanghebbenden omdat het bouwterrein zag op een camping die niet meer in gebruik was. In die zaak was geen sprake van het verdwijnen van gezamenlijke recreatievoorzieningen, maar dat is in deze zaak wel aan de orde. Afsluitend vinden eisers het criterium van 100 meter afstand tot de bouwlocatie onzorgvuldig en generiek. Hierbij geldt dat dit criterium voortkomt uit rechtspraak en dus niet verankerd is in de Awb.
8. De rechtbank oordeelt dat het college mocht concluderen dat eisers geen belanghebbenden zijn en dus de bezwaren niet-ontvankelijk mocht verklaren. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS is iemand in beginsel belanghebbende bij een omgevingsvergunning als hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van dat besluit. Als correctie op dit uitgangspunt wordt het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gehanteerd. [5] Zonder rechtstreekse feitelijke gevolgen of gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Men onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de ABRvS naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat alle percelen van eisers op een afstand liggen van meer dan 100 meter van de bouwlocatie en dat zij hierop vanaf hun percelen geen zicht hebben. Eisers zijn daarom geen belanghebbenden op basis van de factoren afstand tot en zicht op de nieuwe recreatiewoningen. Op grond van deze criteria heeft het college mogen concluderen dat eisers geen gevolgen van enige betekenis ervaren van de omgevingsvergunning. Het betoog van eisers dat gezamenlijke recreatievoorzieningen verdwijnen als direct gevolg van de omgevingsvergunning, maakt dit niet anders. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de recreatiewoningen worden gerealiseerd op een locatie waar op dit moment gezamenlijke recreatievoorzieningen zijn gerealiseerd. [6] De enkele omstandigheid dat de recreatiewoningen worden gebouwd op een locatie waar nu gezamenlijke recreatievoorzieningen zijn gerealiseerd, is onvoldoende om daar een persoonlijk belang aan te kunnen ontlenen. Iemand die stelt dat hij een persoonlijk belang heeft bij deze gezamenlijke recreatievoorzieningen, moet zelf aannemelijk maken waaruit dit belang concreet blijkt. Het betoog dat eisers dit belang kunnen ontlenen aan de parklastenovereenkomst, slaagt niet. Zowel eisers als het college hebben verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 23 juli 2025. [7] In die uitspraak heeft de ABRvS geoordeeld dat de ‘appellant en anderen’ in die zaak geen persoonlijk belang kunnen ontlenen aan de parklastenovereenkomst. Deze overeenkomst geeft alleen recht op het gebruik van de op het park aanwezige gemeenschappelijke voorzieningen, maar voorziet niet in een bepaald voorzieningenniveau. Dit betekent dat er geen direct verband is tussen de komst van de - in die zaak - tien recreatiewoningen enerzijds en de in de parklastenovereenkomst bedoelde voorzieningen anderzijds. [8] Hieruit volgt dat het wel of niet verdwijnen van gezamenlijke recreatievoorzieningen niet relevant is voor de vraag of een persoonlijk belang kan worden ontleend aan deze parklastenovereenkomst. De conclusie is dat geen persoonlijk belang kan worden ontleend aan deze parklastenovereenkomst. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 juni 2023 [9] maakt dit niet anders, nu de uitspraak van de ABRvS van 23 juli 2025 [10] de hoger beroepsuitspraak is van die uitspraak en de rechtbank die laatste uitspraak dus als uitgangspunt neemt.
Ten slotte wordt het oordeel van de rechtbank ook niet anders door het betoog van eisers dat het 100 meter criterium niet in de Awb is verankerd, maar voortkomt uit rechtspraak. De rechtbank vat dit betoog zo op dat eisers vinden dat voor de beoordeling of iemand een belanghebbende is, alleen naar de letterlijke lezing van artikel 1:2 van Pro de Awb mag worden gekeken en niet naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter. De rechtbank kan dit betoog niet volgen. Rechtspraak is immers onderdeel van het recht en het (abstracte) belanghebbende-begrip uit de Awb is juist ingevuld en nader geduid door rechtspraak van (onder meer) de ABRvS. In feite komt het betoog erop neer dat eisers het niet eens zijn met deze rechtspraak. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd echter geen aanleiding om af te wijken van deze vaste rechtspraak. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat het college de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk mocht verklaren. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van de proceskosten, voor zover al gemaakt, is ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. R.P. Broeders, leden, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 9 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Deze aanvraag is door vergunninghoudster aangevuld op 18 februari 2025.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1425.
3.Verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2396, r.o. 2.1 en ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2820, r.o. 2.3.
4.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4286, r.o. 2.2.
5.ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4377, r.o. 7.1.
6.In haar schriftelijke reactie en tijdens de zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat de speeltuin naast de horeca wordt gerealiseerd, de voetbalkooi wordt verplaatst naar het nog te ontwikkelen zuidelijke deel van het park en dat de overige voorzieningen worden verplaatst naar een nog nader te bepalen locatie.
7.ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3384.
8.Zie r.o. 5.3, tweede alinea.
9.Zie voetnoot 4.
10.Zie voetnoot 7.