ECLI:NL:RBZWB:2026:2987

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/3457
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:5 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8 AWRArt. 10 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen naheffingsaanslag omzetbelasting ongegrond verklaard door rechtbank

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting en stelde dat hij was vrijgesteld van aangifte- en betalingsverplichtingen. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden. De rechtbank oordeelt dat dit onterecht was en dat de gronden van belanghebbende onderzocht moesten worden.

De rechtbank concludeert dat belanghebbende wel degelijk belastingplichtig is en dat hij verplicht was aangifte te doen en belasting te betalen. Zijn stelling dat hij was vrijgesteld wordt niet gevolgd omdat dit niet in de wet is verankerd en hij de aangifte niet oningevuld heeft ingediend met een gemotiveerde verklaring.

Ook de gestelde ongeldigheid van besluiten vanwege het ontbreken van handtekeningen wordt verworpen. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, verklaart het bezwaar inhoudelijk ongegrond en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitkomst: Bezwaar tegen naheffingsaanslag wordt inhoudelijk ongegrond verklaard, uitspraak op bezwaar vernietigd en griffierecht vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3457

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft op 6 mei 2025 een brief gestuurd, ontvangen bij de Belastingdienst op 8 mei 2025. In deze brief staat dat belanghebbende het niet eens is met de naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer [bsn] .F.02.4270. De brief is aangemerkt als een reactie op (de motivering van) de uitspraak op bezwaar inzake die naheffingsaanslag. De inspecteur heeft de brief aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen.
2. De rechtbank heeft de correspondentie aan belanghebbende gestuurd naar het door hem in het beroepschrift opgegeven adres. In de Basisregistratie personen (BRP) stond belanghebbende op dat adres ingeschreven. Vanwege de melding van de inspecteur in het verweerschrift dat belanghebbende is geëmigreerd, heeft de griffier informatie ingewonnen uit de BRP. Daaruit volgt dat belanghebbende met ingang van 4 september 2025 niet langer ingeschreven staat op het doorgegeven adres. Zijn nieuwe adres is niet vermeld in de BRP. Ook heeft belanghebbende zijn nieuwe adresgegevens niet doorgegeven aan de rechtbank. De rechtbank is daarom het doorgegeven adres als postadres blijven gebruiken. Indien belanghebbende post niet heeft ontvangen, dan komt dat voor zijn risico.
3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Uit informatie van PostNL volgt dat deze brief op 28 januari 2026 om 14:12 uur op het postadres van belanghebbende is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard door de inspecteur. Dit betekent dat de door belanghebbende aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het bezwaar wel of niet gegrond is. De rechtbank heeft zoals aangekondigd in haar brief van 27 januari 2026 aan partijen deze beoordeling zelf gedaan en de zaak niet teruggewezen naar de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ongegrond is. De rechtbank zal haar oordelen en de gevolgen daarvan hieronder nader uitleggen.
Is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?
5. Het bezwaar van belanghebbende, dat is ontvangen bij de Belastingdienst op 16 december 2024, is gericht tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer [bsn] .F.02.4270. In dit bezwaarschrift is te lezen dat belanghebbende van mening is dat hij voorlopig is vrijgesteld voor betalingen en het doen van aangiften. De inspecteur heeft vervolgens verschillende keren belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een nadere motivering van het bezwaar. Op 25 februari 2025 heeft belanghebbende een reactie gegeven en meer algemene gronden aangevoerd over belastingheffing door de Belastingdienst.
6. In de uitspraak op bezwaar op bezwaar, met dagtekening 1 mei 2025, heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden. In de uitspraak op bezwaar wordt ambtshalve eveneens niet aan belanghebbende tegemoetgekomen.
7. De rechtbank constateert dat in het bezwaarschrift van belanghebbende (dat is ontvangen op 16 december 2024) gronden zijn opgenomen. Belanghebbende is van mening dat hij voor bepaalde tijd is vrijgesteld voor het doen van aangiften omzetbelasting en de betaling ervan. De naheffingsaanslag is daarom, zo begrijpt de rechtbank, volgens belanghebbende ten onrechte opgelegd. Belanghebbende heeft dus wel een grond tegen de naheffingsaanslag aangevoerd. [2] Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Is het bezwaar gegrond?

8. Belanghebbende is van mening dat hij voorlopig was vrijgesteld voor het doen van belastingaangiften, omdat de inspecteur nog niet had gereageerd op zijn brief met dagtekening 2 augustus 2024. In deze brief stelt belanghebbende onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van betalingen aan de Belastingdienst. Belanghebbende heeft bij brief van 2 augustus 2024 verzocht om duidelijkheid inzake de ondertekening van besluiten van de Belastingdienst. Daarnaast bestaat, volgens belanghebbende ook onduidelijkheid over de inschrijving van de Belastingdienst in het handelsregister. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om het rechtsgeldige contact of wettekst waaruit blijkt dat hij als natuurlijk persoon verplicht is aangifte te doen en belasting te voldoen. Tot slot maakt hij bezwaar tegen het betalen van belasting op morele en juridische gronden, vanwege de doelen waarvoor het belastinggeld wordt aangewend.
9. De rechtbank constateert dat geen twijfel bestaat over het ondernemerschap van belanghebbende. Naast de schermafbeeldingen van de systemen van de Belastingdienst en het handelsregister van de Kamer van Koophandel waaruit volgt dat belanghebbende geregistreerd stond als ondernemer, stelt belanghebbende dit ook in zijn brief van 25 februari 2025 die de Belastingdienst heeft ontvangen op 3 maart 2025. Verder stelt de rechtbank vast dat belanghebbende is geïnformeerd dat hij belastingplichtig is vanaf 1 februari 2016 en is uitgenodigd voor het doen van aangifte over het tijdvak 1 juli 2024 tot en met 30 september 2024. Er bestaat dan de wettelijke verplichting dat de in een tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting op aangifte te voldoen. [3] Belanghebbende is dan ook wettelijk verplicht om binnen één maand na het einde van het tijdvak de verschuldigde belasting aan de ontvanger te betalen. [4] Indien dat niet is gedaan, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen [5] en verzuimboetes opleggen wegens het niet tijdig doen van aangifte en het niet betalen van de verschuldigde belasting. [6] Heffing vindt dus plaats op grond van de wet en niet op grond van een contract.
10. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan en omzetbelasting op aangifte betaalt, terwijl hij daartoe in beginsel wel verplicht was. Belanghebbende stelt dat hij daarvan echter was vrijgesteld in de periode dat de aangifte en de betaling zouden moeten worden gedaan. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet, omdat zijn opvatting geen steun vindt in het recht. Belanghebbende kon niet eenzijdig de wettelijke verplichting opschorten, omdat hij eerst antwoord op zijn vragen wilde. De rechtbank merkt daarbij verder op dat de verplichting om aangifte te doen ook bestaat als belanghebbende zelf van mening is dat hij niet belastingplichtig is. In dat geval had hij aan zijn aangifteplicht kunnen voldoen door het aangiftebiljet oningevuld in te dienen en daarbij uitdrukkelijk en gemotiveerd aan te geven waarom hij vindt dat hij niet belastingplichtig is. [7] Belanghebbende heeft de aangifte niet oningevuld ingediend. Bovendien is de brief van 2 augustus 2024 van belanghebbende niet als een zodanige motivering aan te merken, omdat hij daarin niet duidelijk te kennen geeft dat hij van mening is dat hij geen aangifte over het derde kwartaal 2024 hoeft te doen en de daarover verschuldigde belasting niet zou hoeven betalen. Dit standpunt van belanghebbende leidt er daarom niet toe dat er geen aangifte- en betaalverplichting bestond dan wel dat aan die verplichting is voldaan.
11. Verder heeft belanghebbende de rechtsgeldigheid van de belastingheffing ter discussie gesteld. De rechtbank is van oordeel dat voor zover een publiekrechtelijk rechtspersoon niet zou zijn ingeschreven in het handelsregister, dit van invloed zou kunnen zijn op de rechtsgeldigheid van privaatrechtelijke handelingen van de publiekrechtelijke rechtspersoon. Voor publiekrechtelijke handelingen, zoals het heffen en innen van belastingen, is een inschrijving in het handelsregister echter niet vereist aangezien deze publiekrechtelijke handelingen van rechtswege worden uitgevoerd.
12. Belanghebbende heeft ook vragen gesteld over het ontbreken van de naam en een natte handtekening van de medewerkers van de Belastingdienst onder de correspondentie van de Belastingdienst. Voor zover belanghebbende hiermee bedoelt te stellen dat dit het rechtsgeldige karakter van besluiten van de Belastingdienst aantast, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uit die definitie volgt niet dat het voor een rechtsgeldig besluit een constitutief vereiste is dat het is voorzien van de volledige naam en de natte handtekening van de medewerker van het bestuursorgaan. De enkele stelling dat een besluit van de Belastingdienst moet worden voorzien van een natte handtekening en de volledige naam van de behandelaar, maakt niet dat een materieel besluitkarakter van de brieven van de Belastingdienst kan worden ontzegd.
12. Tot slot overweegt de rechtbank dat de verplichting om belasting te betalen voor iedereen geldt. Een individuele belastingplichtige kan de voldoening aan die verplichting niet (gedeeltelijk) afhankelijk stellen van het doel waarvoor de overheid de belasting aanwendt. [8]
14. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet was vrijgesteld voor het doen van de aangifte omzetbelasting en betaling van de verschuldigde belasting. De naheffingsaanslag en de verzuimboetes zijn in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd. De rechtbank acht de boetes ook passend en geboden. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

15. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank neemt zelf een beslissing over het bezwaar en verklaart het bezwaar ongegrond.
15. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor een vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verklaart het bezwaar ongegrond;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 194,- aan belanghebbende moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie artikel 6:5 Awb Pro.
3.Artikelen 8 en 10 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.Op grond van artikel 19 van Pro de AWR.
5.Artikel 20 van Pro de AWR.
6.Artikelen 67b en 67c van de AWR.
7.Vgl. Hoge Raad 27 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2004.
8.Hoge Raad 26 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5618.