ECLI:NL:RBZWB:2026:3314
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Hindriks
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom en invordering wegens illegale prostitutie in woning
Eiser maakte bezwaar tegen een last onder dwangsom en een invorderingsbesluit opgelegd door het college en de burgemeester van Breda vanwege illegale prostitutieactiviteiten in zijn pand. De rechtbank beoordeelde of eiser op 7 november 2024 en 21 maart 2025 de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 en het bestemmingsplan 'Binnenstad' had overtreden.
De rechtbank stelde vast dat het pand als seksinrichting werd gebruikt zonder vergunning, wat in strijd is met artikel 3:2 van Pro de APV en artikel 9.1 van het bestemmingsplan. Eiser werd als functioneel dader aangemerkt omdat hij als eigenaar en verhuurder voldoende controle had en de situatie had aanvaard. Het college en de burgemeester waren bevoegd gezag voor respectievelijk de APV- en bestemmingsplan-overtredingen.
Eiser voerde aan dat hij ten onrechte als overtreder was aangemerkt en dat de last onder dwangsom in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. De rechtbank oordeelde dat het college en de burgemeester terecht voor eiser als overtreder hadden gekozen binnen de handhavingsaanpak en dat dit niet willekeurig was.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit terecht zijn opgelegd en dat eiser geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter S. Hindriks op 23 april 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.