Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3314

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/5024 en 25/6131
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 APV Breda 2018Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5.8 OmgevingswetArt. 7.1 Invoeringsbesluit OmgevingswetArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom en invordering wegens illegale prostitutie in woning

Eiser maakte bezwaar tegen een last onder dwangsom en een invorderingsbesluit opgelegd door het college en de burgemeester van Breda vanwege illegale prostitutieactiviteiten in zijn pand. De rechtbank beoordeelde of eiser op 7 november 2024 en 21 maart 2025 de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 en het bestemmingsplan 'Binnenstad' had overtreden.

De rechtbank stelde vast dat het pand als seksinrichting werd gebruikt zonder vergunning, wat in strijd is met artikel 3:2 van Pro de APV en artikel 9.1 van het bestemmingsplan. Eiser werd als functioneel dader aangemerkt omdat hij als eigenaar en verhuurder voldoende controle had en de situatie had aanvaard. Het college en de burgemeester waren bevoegd gezag voor respectievelijk de APV- en bestemmingsplan-overtredingen.

Eiser voerde aan dat hij ten onrechte als overtreder was aangemerkt en dat de last onder dwangsom in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. De rechtbank oordeelde dat het college en de burgemeester terecht voor eiser als overtreder hadden gekozen binnen de handhavingsaanpak en dat dit niet willekeurig was.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit terecht zijn opgelegd en dat eiser geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter S. Hindriks op 23 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/5024 en 25/6131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Namjesky),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college (zaaknummer 25/5024),
en

de burgemeester van de gemeente Breda, de burgemeester (zaaknummer 25/6131).

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2025, waarbij het college en de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard hebben. Daarmee zijn de last onder dwangsom van 12 maart 2025 en het invorderingsbesluit van 21 april 2025 (onder aanvullende motivering) in stand gelaten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet slaagt. Het college en de burgemeester hebben namelijk terecht geconstateerd dat eiser op 7 november 2024 en op 21 maart 2025 zowel artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 als artikel 9.1 (in samenhang met artikel 1.4) van het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ heeft overtreden. Dat eiser is aangeschreven als overtreder is naar het oordeel van de rechtbank daarnaast niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of met het verbod op willekeur. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 7 november 2024 hebben toezichthouders en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren voor domein I in de woning aan [adres] (het pand) een integrale controle op illegale prostitutie uitgevoerd.
2.1.
Naar aanleiding van deze controle heeft het college op 4 februari 2025 aan eiser, de eigenaar van het pand, het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden met een last onder dwangsom tegen de illegale prostitutieactiviteiten in het pand.
2.2.
Op dit voornemen heeft eiser gereageerd met een zienswijze.
2.3.
Op 12 maart 2025 heeft het college aan eiser de last onder dwangsom opgelegd. Eiser wordt gelast de overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 en de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 9.1 van bestemmingsplan ‘Binnenstad’, per direct te beëindigen en beëindigd te houden (de last onder dwangsom). Dit kan eiser doen door geen prostitutieactiviteiten meer in het pand te (laten) verrichten. Voldoet eiser niet of niet volledig aan deze lastgeving, dan verbeurt eiser een dwangsom van € 5.000,- per constatering met een maximum van € 15.000,-.
2.4.
Toezichthouders en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren voor domein I hebben op 21 maart 2025, naar aanleiding van meldingen van overlast, wederom het pand gecontroleerd op illegale prostitutie.
2.5.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom.
2.6.
Naar aanleiding van de controle op 21 maart 2025 heeft het college op 10 april 2025 aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om de eerste termijn van de dwangsom in te vorderen. Het gaat om een bedrag van € 5.000,-.
2.7.
Het college heeft op 21 april 2025 het besluit genomen om de eerste termijn van de dwangsom in te vorderen (het invorderingsbesluit).
2.8.
Eiser heeft na het invorderingsbesluit nog op het voornemen van 10 april 2025 gereageerd met een zienswijze.
2.9.
Eiser heeft ook tegen het invorderingsbesluit bezwaar gemaakt.
2.10.
Op 28 augustus 2025 is de beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit). Het bestreden besluit is naast het college ook ondertekend door de burgemeester als zelfstandig bestuursorgaan. Het college en de burgemeester hebben in het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften, ongegrond verklaard.
2.11.
Eiser heeft hier op 26 september 2025 beroep tegen ingesteld.
2.12.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.13.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen en aan de kant van het college en de burgemeester mr. O. Tunçdemir, mr. M.J. Groen en [naam 1] .

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van de artikelen 22.1 en 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang bezien met artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bestaat vanaf 1 januari 2024 het Omgevingsplan gemeente Breda uit een tijdelijk deel (het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege). Naast onder meer de in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet genoemde besluiten, zoals geldende bestemmingsplannen, bestaat dit tijdelijk deel ook uit de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).
3.1.
Op het pand was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Het bestemmingsplan maakt daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Op grond van het bestemmingsplan berust op het pand de enkelbestemming “Gemengd-1”. Het pand heeft twee dubbelbestemmingen: “Archeologie” en “Beschermd stadsgezicht”.
3.2.
Ook is in heel de gemeente Breda de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 (de APV) van toepassing.
3.3.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beroepsgronden
4. Eiser voert tegen de last onder dwangsom aan dat ten onrechte tijdens de controle op 7 november 2024 een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV en/of artikel 5.1 van de Omgevingswet is geconstateerd. Daarnaast stelt eiser dat hij ten onrechte aangemerkt is als overtreder. Verder is eiser van mening dat de last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
4.1.
Tegen het invorderingsbesluit heeft eiser aangevoerd dat ook tijdens de controle van 21 maart 2025 ten onrechte een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV en/of artikel 5.1 van de Omgevingswet is geconstateerd en dat hij eveneens ten onrechte is aangemerkt is als overtreder.
Het bevoegd gezag
5. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of eiser al dan niet een overtreding heeft begaan op 7 november 2024, beantwoordt de rechtbank de vraag welk bestuursorgaan bij een eventuele overtreding het bevoegd gezag zou zijn.
5.1.
In het bestreden besluit worden twee overtredingen genoemd: een overtreding van de APV en een overtreding van de Omgevingswet, in samenhang met het bestemmingsplan. De overtreding van de APV betreft de overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV. In deze bepaling staat dat het verboden is een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. Uit artikel 3:1, onder i, van de APV volgt welk bestuursorgaan in hoofdstuk 3 van de APV het bevoegd gezag is. Dat is: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van Pro de Gemeentewet: de burgemeester. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) leidt de rechtbank af dat een seksinrichting in een woning een voor het publiek openstaand gebouw is. [1] De Afdeling heeft immers overwogen dat, anders dan eiser ook in deze zaak heeft aangevoerd, een in beginsel private ruimte toch kan worden aangemerkt als een voor het publiek toegankelijke ruimte als de woning bijvoorbeeld wordt gebruikt als seksinrichting. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voor het publiek openstaand gebouw zoals bedoeld in de Gemeentewet. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een openbaar, voor iedereen zonder voorwaarden of betaling toegankelijk gebouw. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de burgemeester het bevoegd gezag is bij een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV.
5.2.
De tweede bepaling die eiser volgens het bestreden besluit overtreden heeft, is artikel 9.1 van het bestemmingsplan (in samenhang met artikel 1.4 van het bestemmingsplan en artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet). [2] Uit artikel 18.2, tweede lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.8 van de Omgevingswet volgt dat het college het bevoegd gezag is bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet. Zoals in het wettelijk kader reeds aangegeven maakt het bestemmingsplan van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Een overtreding van het bestemmingsplan is dus een omgevingsplanactiviteit. [3] Het college is dus bij een dergelijke overtreding het bevoegd gezag.
5.3.
Aldus stelt de rechtbank vast dat de burgemeester het bevoegd gezag is bij een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV en het college bij een overtreding van onder meer artikel 9.1 van het bestemmingsplan. Dit kan samen gaan.
5.4.
De rechtbank overweegt nog dat de burgemeester het primaire besluit, dat alleen ondertekend is door het college, in het bestreden besluit niet expliciet bekrachtigd heeft. Dit is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser heeft aangevoerd, geen gebrek, omdat de beslissing op bezwaar een volledige heroverweging is van het primaire besluit. [4] De rechtbank ziet hierin ook geen aanleiding om eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase. Het primaire besluit bevat namelijk geen bevoegdheidsgebrek en dus ook geen onrechtmatigheid. Het college was immers bevoegd handhavend op te treden op grond van de Omgevingswet en het bestemmingsplan. Het primaire besluit is daarnaast ook niet aangevuld naar aanleiding van een bezwaargrond van eiser en eiser is ook niet benadeeld door deze aanvulling. Al met al is van een herroeping van het primaire besluit vanwege een onrechtmatigheid dus geen sprake. [5]
Heeft eiser op 7 november 2024 artikel 3:2, eerste lid, van de APV (en het bestemmingsplan en de Omgevingswet) overtreden?
6. Artikel 3:2, eerste lid, van de APV bepaalt zoals gezegd dat het verboden is een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
6.1.
In artikel 3:1, onder c, van de APV wordt het begrip ‘seksinrichting’ gedefinieerd. Een seksinrichting is volgens deze bepaling de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat zowel eiser als de tijdens de controle in het pand aangetroffen vrouw met wie de toezichthouders via kinky.nl een afspraak hadden gemaakt (hierna: “ [naam 2] ”) geen omgevingsvergunning hadden om een seksinrichting te (laten) exploiteren in het pand. Bij de beoordeling of artikel 3:2 eerste Pro lid, van de APV is overtreden, hoeft dus alleen nog gekeken te worden of het pand als seksinrichting gebruikt is. Om dit te beoordelen loopt de rechtbank hierna de voorwaarden uit de voornoemde definitiebepaling van ‘seksinrichting’ af.
Voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
6.3.
Zoals eerder in deze uitspraak al vastgesteld, is volgens vaste rechtspraak een woning een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte wanneer het als seksinrichting gebruikt wordt. [6] Aan deze eerste voorwaarde is dus in principe voldaan.
Gaat het om bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen verrichten, of plaatsvinden van vertoningen van erotisch-pornografische aard?
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat ook aan deze voorwaarde voldaan wordt. Tot dit oordeel komt de rechtbank omdat de afspraak via kinky.nl is gemaakt, het een feit van algemene bekendheid is dat kinky.nl wordt gebruikt voor het maken van betaalde seksafspraken [7] en omdat “ [naam 2] ” heeft verklaard dat ze als sekswerker werkt via kinky.nl en dat ze daarvoor in het pand werkt. Ook werden de nodige attributen aangetroffen. Bij het oordeel dat sprake is van een omvang van de activiteiten, als ware het bedrijfsmatig, betrekt de rechtbank ook dat uit de verklaringen van eiser op zitting volgt dat hij weet dat de appartementen niet alleen voor toeristisch verblijf worden gehuurd, maar ook voor sekswerk, onder meer omdat hij soms bijzonder gedrag ziet op camerabeelden en van één of meer tijdelijke huurders weet dat zij sekswerker zijn.
6.5.
Dat eiser van mening is dat het college en de burgemeester niet uit mochten gaan van de in het proces-verbaal [8] opgenomen verklaring van “ [naam 2] ”, omdat het proces-verbaal volgens eiser vol tegenstrijdigheden zit, doet aan het oordeel van de rechtbank niets af. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961) mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. [9] De rechtbank ziet onvoldoende reden om aan de materiële inhoud van de beschreven bevindingen van het proces-verbaal te twijfelen. Niet elk detail in een verklaring hoeft namelijk onomstotelijk vast te staan (zoals de huurprijs of de outfit van de toezichthouder). Het college mocht daarom naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van de verklaring van “ [naam 2] ” die is opgenomen in het proces-verbaal.
6.6.
De rechtbank stelt aldus vast dat aan beide voorwaarden van artikel 3:2, eerste lid, van de APV is voldaan en dat daarmee deze bepaling is overtreden op 7 november 2024. De rechtbank is van oordeel dat bij een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV automatisch ook artikel 9.1 van het bestemmingsplan is overtreden. Het exploiteren van een seksinrichting is namelijk in strijd met de bestemming ‘Gemengd-1’ die op het pand rust. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overtrederschap van eiser
7. Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, heeft de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071, houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om natuurlijke personen in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [10]
7.1.
Hoewel de rechtbank de stelling van eiser volgt dat de overtredingen niet honderd procent te voorkomen zijn, is de rechtbank van oordeel dat eiser de bedoelde beschikkingsmacht heeft. Als eigenaar en verhuurder van de appartementen kan eiser namelijk veel bepalen. Hij kan een beding opnemen in het huurcontract, hij kan de sleuteloverdracht fysiek laten plaatsvinden met een paspoortcontrole en hij kan cameratoezicht houden in de algemene ruimtes van het pand. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser de feitelijke gang van zaken heeft aanvaard. Uit de ingediende stukken blijkt namelijk niet dat, hoe en op welk moment voorwaarden worden gesteld aan de huurders die zien op het voorkomen van de overtredingen. Het beding dat in het beroepschrift genoemd wordt, heeft de rechtbank verder nergens in de stukken aangetroffen. Ook in bijlage 6 bij het beroepschrift is het niet te zien. Eiser heeft daarnaast ook niet gekozen voor een fysieke ontvangst van de huurders met paspoortcontrole. Verder betrekt de rechtbank bij dit oordeel dat eiser wetenschap heeft van het feit dat het pand populair is onder prostituees. Op de zitting verklaarde hij dat het pand waarschijnlijk op een lijst staat met panden die prostituees elkaar aanraden. Uit zijn verklaring op zitting volgt bovendien dat eiser bij het zien van verdachte bewegingen in het pand op camerabeelden, niet overgaat tot het beëindigen van het verblijf. Ook laat eiser “ [naam 3] ” (met wie toezichthouders op 21 maart 2025 een afspraak hadden) met enige regelmaat terugkeren in het pand, terwijl hij weet dat “ [naam 3] ” een prostituee is. Als Booking.com te weinig gegevens controleert om vast te stellen of een potentiële huurder een prostituee is, zoals eiser stelt, moet hij dat zelf doen of andere platforms kiezen om zijn appartementen aan te bieden.
7.2.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat eiser aan te merken is als functioneel dader en dus als overtreder. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De beginselplicht tot handhaving
8. Zoals de Afdeling in herinnering heeft gebracht in de uitspraak van 5 maart 2025 geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. [11] De beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen, de herstelsancties uit de Algemene wet bestuursrecht. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
8.1.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is.
8.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel/het verbod op willekeur
9. Volgens eiser heeft het college ten onrechte (alleen) hem aangemerkt als overtreder. Eiser vindt het willekeurig dat de last onder dwangsom aan hem gericht is en niet (ook) aan de huurders van de appartementen (lees: de prostituees) en in zijn algemeenheid ook niet aan woningcorporaties als verhuurder van woningen waarin prostitutie wordt bedreven.
9.1.
In het advies van de commissie bezwaarschriften, dat door verweerders is overgenomen als motivering van het bestreden besluit, heeft de commissie toegelicht waarom eiser is aangeschreven als overtreder. De commissie legt uit dat een prostituee vaak maar voor een korte periode in Nederland verblijft waardoor de kans op herhaling nihil is. Voor de eigenaar of verhuurder van een pand is de kans op herhaling groter doordat de woning weer aan een ander verhuurd kan worden. Daarnaast onderscheidt eiser zich van een woningcorporatie doordat eiser in grotere mate in staat is zijn pand te controleren. Van woningcorporaties kan niet verwacht worden dat zij in dezelfde mate toezicht houdt op alle door hen verhuurde woningen.
9.2.
Tijdens de zitting hebben het college en de burgemeester nog verder toegelicht waarom hier geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Ze hebben aangegeven dat ze voor eiser als overtreder hebben gekozen, omdat dit past binnen de handhavingsaanpak binnen de categorie ‘woningen met verhuur’. Andere categorieën zijn bijvoorbeeld ‘hotels’ en ‘woningen zonder verhuur’. Binnen een categorie wordt eenzelfde handhavingsaanpak gehanteerd.
9.3.
De rechtbank volgt de toelichting in het bestreden besluit en de aanvulling daarop op zitting. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat het college en de burgemeester niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur hebben gehandeld door eiser aan te schrijven als overtreder. Daarbij komt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan bij mogelijk meerdere overtreders vrij is welke van deze overtreders hij aanschrijft. [12] Dat tijdens de zitting nog een extra toelichting is gegeven, maakt het bestreden besluit daarnaast niet gebrekkig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoogte dwangsom
10. De hoogte van de dwangsom is niet betwist.
10.1.
De rechtbank is gelet op de rechtsoverwegingen 6 tot en met 10 van oordeel dat het college en de burgemeester de last onder dwangsom mochten opleggen.
Heeft eiser op 21 maart 2025 artikel 3:2, eerste lid, van de APV (en het bestemmingsplan en de Omgevingswet) overtreden?
11. De rechtbank stelt vast dat niet betwist wordt dat zowel eiser als de op 21 maart 2025 in het pand aangetroffen “ [naam 3] ” (met wie de toezichthouders via kinky.nl een afspraak hadden gemaakt) geen omgevingsvergunning hadden om een seksinrichting te (laten) exploiteren in het pand. Om te beoordelen of artikel 3:2, eerste lid, van de APV op 21 maart 2025 is overtreden, moeten daarom wederom alleen nog de voorwaarden van het begrip ‘seksinrichting’ worden beoordeeld.
Voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
11.1.
Zoals in rechtsoverweging 6.3. al uiteengezet is een woning een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte wanneer die gebruikt wordt als seksinrichting. Aan deze voorwaarde wordt dus voldaan.
Gaat het om bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen verrichten, of plaatsvinden van vertoningen van erotisch-pornografische aard?
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat ook aan deze voorwaarde voldaan is. Ook deze afspraak is gemaakt via kinky.nl, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat kinky.nl gebruikt wordt voor het maken van betaalde seksafspraken. “ [naam 3] ” heeft net als “ [naam 2] ” verklaard te werken via kinky.nl en daarvoor in het pand te werken. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 6.5. mochten het college en de burgemeester uitgaan van het proces-verbaal waarin “ [naam 3] ” dit verklaard heeft.
11.3.
De rechtbank stelt aldus vast dat aan beide voorwaarden van artikel 3:2, eerste lid, van de APV is voldaan en daarmee ook op 21 maart 2025 deze bepaling is overtreden. De rechtbank is wederom van oordeel dat een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de APV ook een overtreding van artikel 9.1 van het bestemmingsplan met zich meebrengt.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het overtrederschap van eiser
12. De rechtsoverwegingen 7. tot en met 7.2. zijn hier van overeenkomstige toepassing. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Het college en de burgemeester mochten dus het invorderingsbesluit nemen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Het college en de burgemeester hebben namelijk naar het oordeel van de rechtbank terecht geconstateerd dat eiser op 7 november 2024 en op 21 maart 2025 zowel artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 als artikel 9.1 (in samenhang met artikel 1.4) van het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ heeft overtreden. Dat eiser is aangeschreven als overtreder is naar het oordeel van de rechtbank daarnaast niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of met het verbod op willekeur. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 23 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:11, eerste lid

Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Artikel 7:15, tweede lid

De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Omgevingswet

Artikel 5.1, eerste lid en onder a

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…).

Artikel 5.8

Het college van burgemeester en wethouders beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op één activiteit, tenzij op grond van artikel 5.9, 5.9a, 5.10, 5.11 of 5.13 een ander bestuursorgaan is aangewezen.

Artikel 18.2, tweede lid

Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.

Bijlage bij artikel 1.1

omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
Gemeentewet

Artikel 174

1. De burgemeester is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
2 De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
3 De burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.
Het bestemmingsplan “Binnenstad”

Artikel 1.4

Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet-publieksaantrekkend zijn en die door een bewoner op kleine schaal in een hoofdgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;

Artikel 9.1

De voor 'Gemengd-1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. Algemeen
Begane grond:
(…)
Verdiepingen:
1. wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
(…)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1074.
2.Zie de bijlage onderaan deze uitspraak.
3.Zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
4.Zie artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Zie artikel 7:15 van Pro de Awb.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1074.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:RVS:2024:1484.
8.Het proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2024.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4148.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:737.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2666.