In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van eiser beoordeeld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een besluit van 4 december 2024. Eiser, vertegenwoordigd door mr. M. Akça-Altun, stelt dat het UWV niet binnen de wettelijk vereiste termijn heeft gereageerd op zijn bezwaar. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien de termijn voor het UWV om te beslissen inmiddels is verstreken. Eiser heeft het UWV op 26 juni 2025 in gebreke gesteld, maar er is sindsdien geen besluit genomen.
De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen vier maanden na de uitspraak een besluit moet nemen. Tevens wordt er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank oordeelt dat het UWV het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 467,- aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak.