ECLI:NL:RBZWB:2026:387

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/27
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaren omzetbelasting door termijnoverschrijding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 januari 2026 uitspraak gedaan over de beroepen van belanghebbende tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2017-2019 en 2020-2021. De inspecteur had de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank oordeelt dat de bezwaren inderdaad te laat zijn ingediend en dat het te laat indienen niet verontschuldigbaar is. Belanghebbende stelde dat de aanslagen pas op 16 januari 2023 zijn ontvangen door problemen met de postbezorging en het ontbreken van inschrijving op een adres. De rechtbank stelt dat het risico van onjuiste adressering in beginsel bij de inspecteur ligt, tenzij de onjuiste adressering aan belanghebbende te wijten is.

In dit geval is de onjuiste adressering volgens de rechtbank niet aan de inspecteur te wijten, omdat belanghebbende verantwoordelijk is voor juiste inschrijving in de basisregistratie personen en het adres meerdere malen is bevestigd. Er is geen bewijs van vertraagde postbezorging. Daarom blijft de termijnoverschrijding onverschoonbaar en zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. De bestreden besluiten blijven in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van de bezwaren door termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/27 en 25/29

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting met aanslagnummers [BSN].F.03.9506 en [BSN].F.03.1506 voor de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 en 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de aanslagen 18 november 2022 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 30 december 2022.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende heeft de aanslag pas op 16 januari 2023 ontvangen, omdat er iets mis is gegaan met de postbezorging. Belanghebbende stond ook een tijd niet ingeschreven op een adres.
6. De rechtbank stelt voorop dat het risico van een onjuiste adressering van een aanslag in beginsel bij de inspecteur ligt. Dit is alleen anders als de onjuiste adressering niet aan hem te wijten is. [5] De onjuiste adressering is onder meer aan belanghebbende te wijten indien hij niet zorg heeft gedragen voor een juiste vermelding in de basisregistratie personen (BRP) of in een lopende briefwisseling geen adreswijziging doorgeeft. [6] Bij het ontbreken van de inschrijving, en belanghebbende dus nergens staat ingeschreven, dient de inspecteur naar redelijkheid onderzoek te doen naar het juiste adres.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de onjuiste adressering niet aan de inspecteur te wijten. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor de inschrijving op het juiste adres bij de gemeente. De inspecteur stelt dat het adres waarnaar de aanslagen zijn verstuurd bij het doen van het boekenonderzoek is bevestigd. Daarnaast wordt het adres bij brief van 26 april 2024 van gemachtigde nogmaals bevestigd. Dat betekent dat de inspecteur voldoende onderzoek heeft gedaan om de aanslagen te verzenden naar het, in het boekenonderzoek, door belanghebbende bevestigde adres.
8. Voor zover gesteld is dat de vertraagde kennisname is veroorzaakt door problemen in de postbezorging is dat uit de stukken niet gebleken. Met enkel de blote stelling dat sprake is van vertraagde kennisname van het bestreden besluit heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hier sprake van is.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid of een geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. De onjuiste adressering is namelijk niet aan de inspecteur te wijten. De inspecteur heeft in redelijkheid onderzoek gedaan naar het adres van belanghebbende en het adres is meerdere keren door belanghebbende dan wel gemachtigde bevestigd. Bovendien is belanghebbende verantwoordelijk voor het doorgeven van adreswijzigingen in het basisregistratie persoonsgegevens.

Conclusie en gevolgen

10. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Vgl. Hoge Raad 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935 en Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885, rov. 3.4.2.
6.Hoge Raad 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935, r.o. 3.4.