ECLI:NL:RBZWB:2026:3991
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak inzake proceskostenvergoeding inkomstenbelasting 2021
Belanghebbende verzocht de rechtbank om herziening van een eerdere uitspraak van 23 maart 2026, waarin haar beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2021 ongegrond werd verklaard, maar waarbij geen proceskostenvergoeding werd toegekend wegens onvoldoende bewijs van gemaakte kosten.
Belanghebbende stelde dat zij wel degelijk proceskosten had gemaakt en overhandigde een factuur en betalingsbewijs. De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:119 Awb Pro, dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
De rechtbank constateerde dat het verzoek prematuur was omdat de uitspraak nog niet onherroepelijk was op het moment van indiening, maar dat deze inmiddels onherroepelijk is geworden. Desondanks waren de aangevoerde feiten en omstandigheden reeds bekend bij belanghebbende vóór de uitspraak, waardoor niet aan de voorwaarden voor herziening werd voldaan.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot herziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier W. Dekkers, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak over de proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de aangevoerde feiten reeds bekend waren.