Uitspraak
1.[verweerder 1] ,
2.
[verweerder 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker was sinds 1 april 2025 in dienst als vrachtwagenchauffeur bij verweerder 1, vervoerde goederen van verweerder 2 en werd op 10 september 2025 op staande voet ontslagen. Hij berustte in het ontslag maar vorderde een verklaring voor recht dat er geen dringende reden was voor het ontslag en dat de cao beroepsgoederenvervoer van toepassing is. Tevens verzocht hij om afgifte van loonstroken, urenverantwoordingsstaten en tachograafschijven om zijn verzoeken over de afwikkeling van het dienstverband nader te onderbouwen.
Verweerders verschenen niet in de procedure en voerden geen verweer. De kantonrechter oordeelde dat verweerders op de hoogte waren van de procedure en dat het ontbreken van verweer betekent dat de stellingen van verzoeker als juist worden aangenomen. De kantonrechter wees het verzoek tot afgifte van stukken toe en verklaarde voor recht dat er geen dringende reden was voor het ontslag, omdat het verzoek om na een lange werkdag om 04.00 uur te gaan rijden in strijd was met de rusttijdenwetgeving.
De kantonrechter verklaarde ook dat de cao beroepsgoederenvervoer van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van verzoeker. De beschikking is een tussenbeschikking, waardoor de procedure nog niet is afgerond en verdere beslissingen worden aangehouden. Verzoeker moet zich uiterlijk 1 juli 2026 uitlaten over de voortgang van de procedure.
Uitkomst: Er is geen dringende reden voor het ontslag en de cao beroepsgoederenvervoer is van toepassing; verweerders moeten loonstroken en urenstaten verstrekken.