Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2014 tot en met 2017 en tegen opgelegde vergrijpboeten. De inspecteur corrigeerde de aftrek van voorbelasting waar deze niet onderbouwd was met facturen. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn opgelegd, omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor de aftrek van voorbelasting zonder facturen.
De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag 2014 tijdig is bekendgemaakt op 24 december 2019, ondanks dat belanghebbende deze pas in januari 2020 ontving. De inspecteur was bevoegd de aanslagen op te leggen. De vergrijpboeten worden vernietigd omdat partijen het eens zijn over overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de zaak.
De rechtbank wijst het beroep tegen de boetebeschikkingen toe en vernietigt deze, terwijl de beroepen tegen de naheffingsaanslagen ongegrond worden verklaard. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Er is geen aanleiding om af te wijken van de belastingrente.
De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier L.C.J.A. Miseré op 3 juni 2026 te Breda. Belanghebbende kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.