Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4897

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/5358
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WVWArt. 51a WVWArt. 52a WVWArt. 52c WVWArt. 40b Kentekenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vervallenverklaring tenaamstelling voertuig door RDW na identiteitsonderzoek

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het vervallen verklaren van de tenaamstelling van een Mercedes Benz G 500 door de RDW, nadat een identiteitsonderzoek had vastgesteld dat het voertuig een andere carrosserie en aandrijflijn heeft dan bij de eerste inschrijving in 2009.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de RDW, maar de rechtbank concludeert dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de RDW op grond van wettelijke bepalingen bevoegd was de tenaamstelling te vervallen te verklaren. De rechtbank wijst erop dat het ontbreken van een vast te stellen voertuigidentificatienummer (VIN) door het ontbreken of wijzigen van hoofdonderdelen een dwingende reden is voor vervallenverklaring.

Eiser voerde onder meer aan dat het onderzoek willekeurig was, dat de RDW onterecht aandrijflijn en carrosserie betrok bij het onderzoek, en dat het rechtszekerheidsbeginsel en EU-regelgeving werden geschonden. De rechtbank verwerpt deze argumenten en stelt dat het belang van een betrouwbaar kentekenregister zwaarder weegt dan het eigendomsbelang van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vervallenverklaring van de tenaamstelling van het voertuig door de RDW.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5358 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink),
en

de directie van de RDW (de RDW), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 4 september 2025 (hierna: bestreden besluit). Het bezwaar van eiser was gericht tegen het besluit 16 januari 2025 (hierna: primaire besluit) tot het vervallen verklaren van de tenaamstelling van de auto van eiser met ingang van die datum. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vervallenverklaring van de tenaamstelling van het voertuig.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW de tenaamstelling in redelijkheid vervallen heeft mogen verklaren
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In een deskundigenrapport van 13 januari 2025 heeft de RDW vastgesteld dat de auto van eiser een andere carrosserie en andere aandrijflijn heeft dan toen het voertuig in april 2009 in Nederland is geregistreerd. Met het primaire besluit heeft de RDW de tenaamstelling daarom vervallen verklaard. [1] Met het bestreden besluit heeft de RDW het bezwaar ongegrond verklaard en de vervallenverklaring van de tenaamstelling in stand gelaten.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en [eisers vader] (eisers vader). Namens de RDW is verschenen mr. F.W.L. Thomas.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. Deze zaak gaat over de auto van eiser: een Mercedes Benz, type G 500, met kenteken [kenteken] (hierna: het Voertuig). Op 9 april 2009 is het Voertuig voor het eerst ingeschreven in Nederland. De politie heeft tijdens een verkeerscontrole van 29 december 2024 onderzoek verricht naar het Voertuig, waarbij het vermoeden was ontstaan dat het Voertuig is omgekat. Om die reden heeft de afdeling Forensisch Voertuigidentificatie Onderzoek (FVO) van de RDW op 7 januari 2025 een identiteitsonderzoek uitgevoerd. In het deskundigenrapport van 13 januari 2025 is vastgesteld dat het Voertuig een andere carrosserie en andere aandrijflijn heeft dan toen het voertuig in april 2009 in Nederland is geregistreerd.
3.1.
Met het primaire besluit heeft de RDW de tenaamstelling van het Voertuig vervallen verklaard omdat het Voertuig een hoofdonderdeel heeft (in dit geval de carrosserie van het voertuig) dat de RDW niet kan identificeren waardoor hij de identiteit van het voertuig niet kan bepalen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de RDW het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft eiser een beroepschrift ingediend.
Bestreden besluit
4. De RDW heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de vervallenverklaring van de tenaamstelling in stand gelaten omdat hij de identiteit van het Voertuig niet kon vaststellen. Het vaststellen van de identiteit valt uiteen in twee aspecten. Allereerst wordt aan de hand van onderdelen en productiedata het type voertuig afgeleid. Ten tweede wordt de unieke identiteit van het voertuig bepaald met het door de fabrikant aangebrachte voertuig identificatienummer (VIN) en overige door de fabrikant bevestigde of in het voertuig ingeslagen kenmerken. Het vaststellen van het VIN is noodzakelijk voor de inschrijving en de tenaamstelling in het kentekenregister. [2] Het VIN is volgens artikel 1 van Pro Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen een voor dat voertuig unieke, door de fabrikant toegekende en aangebrachte combinatie van tekens. Hetzelfde artikel wijst de aandrijflijn aan als één van de hoofdonderdelen van een voertuig. Uit artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen volgt dat de RDW geen VIN toekent indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren. Uit het deskundigenonderzoek van de afdeling FVO blijkt dat de aandrijflijn behoort tot een ander voertuig en dat de herkomst van de carrosserie niet kan worden vastgesteld. Voor een reeds geregistreerd voertuig vervalt dan de tenaamstelling. Het is vaste rechtspraak dat de RDW mag afgaan op de conclusies van een advies van een deskundige als dit op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusie daarop aansluit. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van dit deskundigenadvies.
Volgens de RDW is de aanleiding van het onderzoek naar de identiteit van het voertuig voldoende duidelijk. Dit was namelijk de verkeerscontrole van de politie. In deze procedure kan eiser de legitimiteit van het politieonderzoek niet aan de orde stellen.
De RDW ziet verder geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gelet op de stelling van eiser dat het voertuig al eerder was onderzocht en goedgekeurd door de RDW in 2009. Een controle of APK-keuring is namelijk niet hetzelfde als een identiteitsonderzoek. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) dat ook wanneer een voertuig eerder is onderzocht door de RDW bijvoorbeeld bij de import of bij een algemeen periodieke keuring, nog steeds twijfel kan ontstaan over de identiteit van een voertuig. [3] Het gaat daarbij om de toestand van het voertuig ten tijde van het gelaste identiteitsonderzoek.
Het is verder een vaste gedragslijn dat de tenaamstelling van een voertuig vervallen wordt verklaard als de RDW niet de identiteit van een voertuig kan vaststellen. [4] Uit de uitspraak van de ABRvS van 29 januari 2020 volgt dat de RDW niet gehouden is om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om af te zien van het vervallen verklaren van de tenaamstelling. [5] Door het vervallen verklaren van de tenaamstelling kan eiser geen gebruik meer maken van zijn voertuig, maar dat gevolg is in verhouding tot het te dienen doel dat is gelegen in de verkeersveiligheid en de zuiverheid van het kentekenregister. Het belang van eiser weegt dus niet zwaarder dan het algemeen belang en dus is geen sprake van een onevenredig besluit. De RDW weegt mee dat het niet in het belang van eiser is dat een voertuig op zijn naam staat waarvan de identiteit niet kan worden achterhaald. [6]
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan ook in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 36, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) moeten motorrijtuigen en aanhangwagens overeenkomen met de gegevens die daarover zijn opgenomen in het kentekenregister. Ter bevestiging van de inschrijving in het kentekenregister en de tenaamstelling, wordt door de RDW een kentekenbewijs afgegeven. Een kentekenbewijs verliest onder andere zijn geldigheid door het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister. Voor de afgifte van het kentekenbewijs en de tenaamstelling is het VIN van belang. Bij de productie van een voertuig kent de voertuigfabrikant aan het voertuig als geheel een VIN toe en slaat hij het nummer in onderdelen van het voertuig. Een VIN dient niet ter identificatie van de verschillende onderdelen, maar van het voertuig als geheel.
5.2.
Op grond van artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, van de WVW kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard in ‘andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen’. De algemene maatregel van bestuur is het Kentekenreglement.
5.3.
Volgens artikel 52a, eerste lid, van de WVW wordt ter bevestiging van de inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling bedoeld in artikel 48, eerste lid, door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs afgegeven.
5.4.
Op grond van artikel 52c, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW verliest een kentekenbewijs zijn geldigheid door het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.
5.5.
Artikel 40b, vierde lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement bepaalt dat de Dienst Wegverkeer een tenaamstelling kan vervallen verklaren indien naar oordeel van deze dienst blijkt dat degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn.
5.6.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Regeling voertuigen bepaalt dat in het kader van een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek, het VIN kan worden vastgesteld. Volgens het derde lid wordt het VIN vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze bepaald in Bijlage I.
5.7.
In artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen is vastgelegd dat indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, geen VIN wordt vastgesteld. Het vijfde lid bepaalt dat indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een VIN niet is vast te stellen, geen VIN door deze dienst wordt toegekend.
5.8.
Op grond van artikel 6 van Pro Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen kan de RDW een nader onderzoek instellen indien twijfel bestaat over de juistheid van het VIN, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen VIN ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden.
5.9.
De Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 (hierna: de Kentekenbewijzenrichtlijn) geeft regels over de erkenning van een in een andere lidstaat voor een voertuig afgegeven kentekenbewijs door een andere lidstaat en over de identificatie van een voertuig. Op grond van artikel 4 van Pro de Kentekenbewijzenrichtlijn wordt een door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving in een andere lidstaat. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft in punt 48 en 49 van het arrest van 24 januari 2019 overwogen dat een lidstaat een eerder in een andere lidstaat geregistreerd voertuig vóór inschrijving mag identificeren en daartoe mag vereisen dat het voertuig wordt gepresenteerd en materieel wordt gecontroleerd teneinde te verifiëren of dat voertuig daadwerkelijk aanwezig is op zijn grondgebied en overeenkomt met de op het kentekenbewijs vermelde gegevens. [7] Een dergelijke presentatie is door het Hof aangemerkt als een eenvoudige administratieve formaliteit die geen extra controle inhoudt maar inherent is aan de afhandeling van de inschrijvingsaanvraag en aan het verloop van de procedure.
Heeft de RDW onderzoek verricht op willekeurige gronden?
6. Eiser stelt dat de aanleiding voor de politiecontrole en het identiteitsonderzoek onduidelijk is. De RDW laat willekeurig auto’s van de weg trekken door de politie en maakt daardoor misbruik van zijn bevoegdheid.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat de RDW willekeurig heeft gehandeld door een onderzoek uit te (laten) voeren naar de identiteit van het voertuig van eiser. Anders dan eiser stelt, is de concrete aanleiding voor dit onderzoek duidelijk, want uit het dossier volgt dat dit de politiecontrole is. De RDW heeft toegelicht dat bij de politie tijdens een verkeerscontrole het vermoeden ontstond dat het Voertuig is omgekat en daarom heeft de politie aan de RDW gevraagd om een identiteitsonderzoek uit te voeren. Hierbij is van belang dat de politiecontrole en het identiteitsonderzoek van de afdeling FVO andere onderzoeken betreffen. De RDW gaat niet over verkeerscontroles en heeft daar geen invloed op, maar het politieonderzoek was wel de aanleiding voor de RDW om nader onderzoek te doen naar de identiteit van het Voertuig. Uit artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen volgt dat de RDW dit onderzoek kan instellen als twijfel bestaat over de juistheid van het VIN. De RDW had hier dus voldoende aanleiding voor. Van willekeur of misbruik van bevoegdheden is dus geen sprake. [8] Het onderzoek van de politie en de aanleiding daarvan vallen verder buiten de omvang van deze procedure, omdat dit niet ziet op het bestreden besluit. Het onderzoek naar de identiteit van het Voertuig valt wel binnen de reikwijdte van dit beroep. Eiser heeft echter niet onderbouwd op welke wijze de RDW misbruik zou hebben gemaakt van zijn bevoegdheid door dit identiteitsonderzoek in te stellen en vervolgens de tenaamstelling vervallen te verklaren. De rechtbank ziet hier ook geen concrete aanknopingspunten voor. Het tijdsverloop en de door eiser gestelde grote gevolgen voor het eigendomsrecht, zijn geen aanwijzingen voor misbruik van de bevoegdheid.
Is de RDW bevoegd om de tenaamstelling vervallen te verklaren?
7. Eiser is het niet eens dat de identiteit van het Voertuig niet kan worden vastgesteld en dus stelt hij dat de RDW niet bevoegd was om de tenaamstelling vervallen te verklaren. De aandrijflijn wordt tijdens APK-keuringen en buiten Nederland nooit gebruikt om een voertuig te identificeren en uit de wet- en regelgeving volgt niet dat een deursticker aanwezig zou moeten zijn voor identificatie. In dit verband wijst eiser op een uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2015. [9] Hieruit volgt dat de RDW alle relevante informatie moet meenemen. Onderdelen van voertuigen mogen bovendien worden vervangen wegens slijtage of beschadiging op grond van artikel 5 van Pro Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen. De RDW heeft echter nooit vragen aan eiser gesteld over de restauratie van het Voertuig.
8. De rechtbank oordeelt dat de RDW op goede gronden heeft geconcludeerd dat de identiteit van het voertuig niet kan worden vastgesteld op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, bij de Regeling voertuigen. Het onderzoek naar de identiteit van het Voertuig is zorgvuldig uitgevoerd en rechtvaardigt de conclusie dat twee hoofdonderdelen niet corresponderen met het oorspronkelijke VIN, waardoor de identiteit van het voertuig niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat de RDW in beginsel de tenaamstelling van het Voertuig vervallen mocht verklaren op grond van artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, van de WVW.
8.1.
Op grond van artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, van de WVW gelezen in samenhang met artikel 40b, vierde lid, van het Kentekenreglement, kan de RDW de tenaamstelling vervallen verklaren indien naar zijn oordeel blijkt dat degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn. Van die situatie kan sprake zijn als tijdens een identiteitsonderzoek niet kan worden vastgesteld dat het VIN dat op het kentekenbewijs staat bij het onderzochte voertuig hoort.
Artikel 2.1 van de Regeling voertuigen gaat over het identiteitsonderzoek. De wijze van onderzoek is uitgewerkt in Bijlage I. In artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen is vastgelegd dat indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, geen voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld. Onder hoofdonderdelen van een voertuig zoals in het onderhavige geval wordt op grond van artikel 1 van Pro deze bijlage verstaan: het chassis, de aandrijflijn en de carrosserie.
Volgens vaste rechtspraak mag het bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [10] Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
8.2.
Het in deze procedure verrichte onderzoek naar de identiteit van het Voertuig bestaat uit twee stappen. Allereerst is per hoofdonderdeel het op dit onderdeel vermelde VIN nagegaan. Vervolgens is geconcludeerd dat voor het gehele voertuig geen VIN kan worden vastgesteld. De RDW heeft voor het identiteitsonderzoek een deskundigenrapport van de afdeling FVO aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Uit het rapport blijkt dat het VIN van het chassis behoort bij een voertuig met productiedatum 1983. Het VIN van de aandrijflijn behoort bij een voertuig met productiedatum 3 juni 2014, voor de Japanse markt. Voor wat betreft de carrosserie is de herkomst niet meer vast te stellen, omdat de constructiesticker met daarop het VIN is verwijderd. Gezien de productiedatum behoort de carrosserie vermoedelijk bij de aandrijflijn. Dat betekent dat volgens de deskundigenrapportage twee hoofdonderdelen niet kunnen worden geïdentificeerd en dus dat op grond van artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen, geen VIN voor het voertuig kan worden vastgesteld. Artikel 5, vierde en vijfde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen hebben een dwingend karakter. [11] De RDW heeft dus geen beslissingsruimte bij de beoordeling om een VIN vast te stellen voor een voertuig.
De rechtbank stelt vast dat de inhoud van het deskundigenrapport niet expliciet door eiser wordt betwist en de rechtbank heeft geen andere redenen om te twijfelen aan de bevindingen in de deskundigenrapportage. De rechtbank concludeert daarom dat vaststaat dat geen VIN voor het voertuig kan worden vastgesteld op grond van artikel 5, vierde en vijfde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen.
Hoewel eiser de inhoud van de deskundigenrapportage niet heeft betwist, heeft hij wel aangevoerd dat hij het oneens is dat de RDW enerzijds de aandrijflijn betrekt bij het identiteitsonderzoek en anderzijds dat voor de carrosserie het ontbreken van de deursticker wordt meegenomen. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2015. In die zaak heeft de RDW de tenaamstelling vervallen verklaard omdat de identiteit van de carrosserie niet meer was vast te stellen, omdat het unieke identiteitskenmerk, het typeplaatje op de carrosserie, verwijderd is geweest. [12] De omstandigheden in die zaak zijn echter niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In de eerste plaats had de eisende partij de restauratie van zijn voertuig uitvoerig gedocumenteerd. Ten tweede werd bij het in die procedure aan de orde zijnde voertuig – een Land Rover – geen VIN in de carrosserie ingeslagen door de fabrikant, maar daarop werden typeplaatjes aangebracht. Ten derde is in die zaak niet gebleken dat de RDW voorlichting heeft gegeven ten aanzien van de gevolgen van het ten behoeve van de restauratie van een voertuig tijdelijk verwijderen van het typeplaatje. Eiser heeft geen documentatie overgelegd over restauraties, bij het Voertuig van eiser is geen sprake is van het inslaan van het VIN op een typeplaatje én in 2009 is eiser door de RDW gewaarschuwd over de gevolgen van toekomstige veranderingen in het samenstel van het Voertuig.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de aandrijflijn en carrosserie niet betrokken zouden mogen worden in het identiteitsonderzoek. Zoals de rechtbank eerder in deze uitspraak heeft opgemerkt, zijn de carrosserie en de aandrijflijn aangewezen als hoofdonderdelen. [13] Uit artikel 5, vierde lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, van de Regeling voertuigen volgt dat de RDW de hoofdonderdelen betrekt in het identiteitsonderzoek. Ook het argument dat de deursticker ten onrechte zou zijn meegenomen in de beoordeling omdat niet expliciet uit de regelgeving volgt dat deze sticker aanwezig moet zijn, treft geen doel. Uit artikel 5, eerste lid, van Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen volgt namelijk dat de vaststelling van het VIN geschiedt aan de hand van het in het Voertuig ingeslagen VIN of overige voertuigkenmerken op grond waarvan eenduidig het VIN kan worden herleid. De constructiesticker is een middel om de carrosserie te identificeren omdat daarop (bij deze voertuigen) het VIN is vermeld. Dat bij APK-keuringen de identificatie van het Voertuig anders zou verlopen volgens eiser, is niet relevant. Een APK-keuring is namelijk iets anders dan een identiteitsonderzoek.
8.3.
De stelling van eiser dat hoofdonderdelen mogen worden vervangen, maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat hoofdonderdelen mogen worden vervangen. Dat volgt ook uit artikel 5, tweede lid, eerste en tweede volzin, van Bijlage I bij artikel 2.1, van de Regeling voertuigen. De RDW heeft echter wel het standpunt ingenomen dat het vervangen van onderdelen in overleg met de RDW dient te gaan, voor zover vervanging de identiteit van het Voertuig raakt. De rechtbank leest in het derde lid dat de onderdelen die worden vervangen, met het VIN moeten worden ingeleverd bij de RDW voorafgaand aan de inslag van het VIN door de RDW. Dat heeft eiser nagelaten. Eiser heeft het bewijsrisico voor de herkomst van de aandrijflijn en carrosserie en hij heeft niet met stukken onderbouwd uit welk voertuig de onderdelen afkomstig zijn. Door het niet laten uitvoeren van een vooronderzoek heeft eiser het risico genomen dat (hoofd)onderdelen van zijn voertuig niet meer door de RDW konden worden geïdentificeerd, dat voor het Voertuig geen VIN zou kunnen worden vastgesteld en dus dat de tenaamstelling van het Voertuig vervallen zou kunnen worden verklaard. [14] Eiser heeft tijdens de zitting voor het eerst gesteld dat de vervangen onderdelen afkomstig zijn van een donorvoertuig. Eiser kan zich tot de RDW wenden om de herkomst van deze onderdelen te onderbouwen. Bij de beoordeling van het beroep, kan dit geen rol meer spelen.
Is identiteitsonderzoek na 16 jaar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel?
9. Eiser voert aan dat de RDW het Voertuig eerder heeft onderzocht en goedgekeurd in 2009, waardoor de RDW in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.
9.1.
De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de RDW in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door een identiteitsonderzoek uit te (laten) voeren, 16 jaar nadat het Voertuig was onderzocht en goedgekeurd. Het gaat hier om het belang van rechtszekerheid voor eiser tegenover het algemeen belang dat is gemoeid met de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Tussen partijen is geen discussie dat het Voertuig in 2009 uit Duitsland is geïmporteerd en dat het Voertuig op dat moment was onderzocht, gekeurd en ingeschreven in Nederland. Het is vaste rechtspraak van de ABRvS dat als een voertuig bij de import in Nederland is onderzocht en in orde is bevonden, dat niet betekent dat er later geen twijfel kan ontstaan over de identiteit van dat voertuig. [15] Het is dan ook niet uitgesloten dat op een later moment de conclusie wordt getrokken dat het VIN niet is vast te stellen en dat een afgegeven kentekenbewijs niet meer bij het Voertuig hoort. Anders dan eiser heeft betoogd, is het onderzoek in 2009 dus niet doorslaggevend omdat bij de import van een voertuig op basis van Europese regelgeving in beginsel alleen een eenvoudige administratieve controle en geen identificatieonderzoek plaatsvindt. [16] Dat is een andersoortige keuring. Daargelaten of het Voertuig dat in 2009 ter onderzoek is aangeboden hetzelfde is als het Voertuig dat op 7 januari 2025 is onderzocht of dat daaraan in de tussentijd door eiser wijzigingen zijn aangebracht die niet aan de RDW zijn gemeld terwijl dat wel had moeten gebeuren, ligt nu de vraag voor of het Voertuig op 7 januari 2025 te identificeren was. Het gaat daarbij om de toestand van het Voertuig ten tijde van het gelaste identiteitsonderzoek. [17]
Is identiteitsonderzoek na 16 jaar in strijd met het recht van de Europese Unie?
10. Eiser voert aan dat twijfel aan de identiteit van het Voertuig 16 jaar nadat deze is geïmporteerd, in strijd is met EU wet- en regelgeving. Twijfel aan de identiteit van een voertuig na invoering van dat voertuig uit een ander EU land, is namelijk een verkapt uitgesteld (import) onderzoek. Dat houdt een non-tarifaire handelsbelemmering in zoals bedoeld in de Kentekenbewijzenrichtlijn. Ter onderbouwing verwijst eiser in de eerste plaats naar het Dassonville-arrest waaruit volgt dat ‘iedere handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel rechtstreeks of onrechtstreeks, feitelijk of potentieel kan belemmeren’, kwalificeert als een maatregel van gelijke werking zoals een kwantitatieve beperking. [18] Ten tweede verwijst hij naar het Cassis de Dijon-arrest over het wederzijds erkenningsbeginsel waaruit volgt dat producten die legaal in een lidstaat zijn verhandeld, ook in een andere lidstaat moeten worden toegelaten. [19] Eiser stelt bovendien dat zijn voertuig zonder problemen een kenteken kan krijgen in Duitsland, Frankrijk of Italië. De uitspraak van de ABRvS van 24 april 2024 is in strijd met EU wet- en regelgeving onder andere omdat hierin de aanbeveling wordt gedaan om bij het importeren een identiteitsonderzoek te laten verrichten zodat de juistheid van het VIN kan worden vastgesteld. [20]
10.1.
Eiser verzoekt de rechtbank daarom om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
11. De rechtbank overweegt vooraf dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. Hieronder zal de rechtbank bespreken waarom zij dat vindt.
12. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de RDW in strijd zou hebben gehandeld met EU-regelgeving door een identiteitsonderzoek uit te (laten) voeren en de tenaamstelling van het Voertuig vervallen te verklaren, 16 jaar nadat het Voertuig was geïmporteerd uit Duitsland. De procedure tot import van het Voertuig in 2009 en de procedure in deze zaak over het vervallen van de tenaamstelling zijn namelijk twee gescheiden procedures. [21] De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog, wat erop neerkomt dat volgens hem wel sprake is van één verlengde procedure tot import van het Voertuig. De RDW heeft het buitenlandse kentekenbewijs in 2009 juist wel erkend en vervolgens ingeschreven. De procedure van het importeren uit het buitenland was daarmee beëindigd.
Het betoog van eiser dat de Kentekenbewijzenrichtlijn in de weg stond aan het onderzoek van de RDW, slaagt ook niet. Deze richtlijn heeft betrekking op de harmonisatie van de inhoud en vormgeving van kentekenbewijzen om het gemakkelijker te maken om voertuigen die in een andere Lidstaat waren ingeschreven opnieuw in het verkeer te brengen. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. De Kentekenbewijzenrichtlijn staat er niet aan in de weg dat een voertuig dat eerder afkomstig was uit een andere Lidstaat en vervolgens te naam is gesteld en is ingeschreven in het kentekenregister, nadat het hier in het verkeer is gebracht aan een identiteitscontrole mag worden onderworpen als daartoe een rechtsgeldige aanleiding bestaat. In dat kader mag de RDW de maatstaven hanteren zoals neergelegd in de wet- en regelgeving. Dat andere Europese landen het vaststellen van de identiteit van het voertuig anders hebben geregeld, wat daarvan ook zij, doet hieraan niet af. [22]
Heeft de RDW het eigendomsrecht geschonden en is dit onevenredig?
13. Eiser stelt dat de vervallenverklaring van de tenaamstelling een inbreuk oplevert op zijn eigendomsrecht. Hij kan namelijk geen gebruik meer maken van zijn voertuig. Dat leidt tot strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM.
13.1.
Naar oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een onevenredige inbreuk op het eigendomsrecht. De RDW hoefde dus niet af te zien van het vervallen verklaren van de tenaamstelling vanwege strijd met het recht op het eerlijk proces of gelet op de gevolgen daarvan voor het eigendom.
Het vervallen verklaren van de tenaamstelling op grond van artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, van de WVW gelezen in samenhang met artikel 40b, vierde lid, van het Kentekenreglement is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat de RDW na afweging van de betrokken belangen kan afzien van het vervallen verklaren van de tenaamstelling. Indien een bestuursorgaan beleidsruimte toekomt, is het aan het bestuursorgaan om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. De bestuursrechter toetst of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). [23]
Anders dan de RDW heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht. Dat de RDW niet gaat over het eigendom of over de inbeslagname, neemt niet weg dat eiser door de vervallenverklaring geen gebruik meer mag maken van het Voertuig. Het kentekenbewijs heeft zijn geldigheid verloren. Eiser kan niet langer worden beschouwd als eigenaar in de zin van de WVW, waarmee wordt bedoeld, eigenaar van een voertuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven. [24] Toch mocht de RDW in dit geval overgaan tot het vervallen verklaren van de tenaamstelling, omdat deze inbreuk op het eigendomsrecht niet onevenwichtig is. De RDW mocht namelijk aan het belang van eiser een minder zwaar gewicht toekennen dan aan het algemeen belang dat de RDW dient met het goed functioneren van het kentekenregister. Indien bij het ontbreken van een VIN niet wordt overgegaan tot het vervallen verklaren van de tenaamstelling, dan heeft dit namelijk tot gevolg dat een kentekenbewijs in stand wordt gelaten, zonder dat het daarin opgenomen kenteken via het VIN is te relateren aan een voertuig. Dit leidt niet alleen tot onzuiverheid van het kentekenregister. Ook is handhaving van de tenaamstelling in die situatie niet in het belang van degene op wiens naam het kenteken is gesteld, gelet op het risico dat het voertuig bij een politiecontrole in beslag wordt genomen, de mogelijkheid om een APK-keuring te laten verrichten en het voertuig te verzekeren, als ook om de juiste omvang van de motorrijvoertuigenbelasting te bepalen.
Het vertrouwens- en motiveringsbeginsel
14. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwens- en motiveringsbeginsel. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is niet in staat om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994
Artikel 36, vijfde en zesde lid
5. Motorrijtuigen en aanhangwagens dienen overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een Pro bepaalde afwijking van die gegevens is toegestaan.
6. Voor overtreding van het eerste tot en met vijfde lid zijn aansprakelijk:
7. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en
8. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.
Artikel 51a, derde lid
Onverminderd het eerste en tweede lid, kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard:
indien de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan;
indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk III, vastgestelde eisen;
indien in de bouw of inrichting van het ingeschreven voertuig wijzigingen zijn aangebracht die niet zijn goedgekeurd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet;
indien het ingeschreven voertuig een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde kenmerken, dan wel indien het voertuig na herstel van de schade niet voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten aanzien van de wijze waarop de schade is hersteld;
indien de eigenaar of houder van een voertuig onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren, mits wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden, dan wel
in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.
Artikel 52a, eerste lid
Ter bevestiging van de inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs afgegeven.
Artikel 52c, eerste lid
Een kentekenbewijs verliest zijn geldigheid door:
het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister;
de afgifte van een vervangend kentekenbewijs;
het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen;
een schorsing als bedoeld in art 67, eerste lid, voor de duur van de schorsing, of
en ongeldigverklaring.
Kentekenreglement
Artikel 40b, vierde lid
De Dienst Wegverkeer kan een tenaamstelling vervallen verklaren indien naar oordeel van deze dienst blijkt dat:
degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn;
de reden waarom voor het voertuig een kenteken als bedoeld in artikel 4, tweede lid, of derde lid, onderdeel a, dan wel bevattende de lettergroep CD of CDJ is opgegeven is vervallen;
de eigenaar of houder van het voertuig onvrijwillig het bezit of het houderschap van het voertuig heeft verloren; of
degene die als tenaamgestelde in het kentekenregister is ingeschreven niet langer in Nederland woonachtig of gevestigd is.
Regeling voertuigen
Artikel 2.1
In het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.
Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in bijlage I.
Artikel van Bijlage I, behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder […] hoofdonderdelen van een voertuig met een volledig dragend of semi-dragend chassis: chassis, aandrijflijn en carrosserie.
Artikel 5, vierde en vijfde lid, van Bijlage I, behorende bij artikel 2.1, derde lid
4. Indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, wordt geen voertuigidentificatienummer vastgesteld.
5. Indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen, wordt geen voertuigidentificatienummer door deze dienst toegekend.
Artikel 6 van Pro Bijlage I, behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Voetnoten

1.Dit besluit heeft als dagtekening 16 januari 2024. In het bestreden besluit heeft de RDW toegelicht dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat de correcte datum 16 januari 2025 is.
2.Dit volgt uit artikel 48 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), artikel 25 van Pro de Kentekenregeling en artikel 2.1 van de Regeling voertuigen.
3.Verwijzing naar onder andere: ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1700, r.o. 7.3.
4.Verwijzing naar: ABRvS 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4760, r.o. 3.1.
5.Verwijzing naar: ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:278, r.o. 10 en 10.1.
6.Verwijzing naar: ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4600.
7.HvJ EU 24 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:59 (C-326/17).
8.Zie ook: ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3714, r.o. 4.1.
9.ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3135.
10.ABRvS 10 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2613, r.o. 6.1.
11.ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1700, r.o. 7.1.
12.ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3135, r.o. 2, tweede alinea.
13.Artikel 1 van Pro Bijlage I bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen.
14.ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:185, r.o. 5.4.
15.ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4600, r.o. 8.1.
16.ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1700, r.o. 7.3.
17.ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:3714, r.o. 6.1.
18.HvJ EU 11 juli 1974, ECLI:EU:C:1974:82 (C-8/74).
19.HvJ EU 20 februari 1979, ECLI:EU:C:1979:42 (C-120/78).
20.ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1700.
21.Zie: ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1700, r.o. 7.3.
22.Zie: ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4250, r.o. 11.
23.Zie: ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2596, r.o. 8.
24.Zie ook: ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3714, r.o. 6.3.