ECLI:NL:RBZWB:2026:4927

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/3653
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:10 AwbArt. 1:431 BWArt. 1:438 BWArt. 1:441 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewindvoerder is belanghebbende bij ambtshalve adreswijziging in Basisregistratie Personen

Eiseres, bewindvoerder over de goederen van betrokkene, maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg waarin haar bezwaarschriften tegen ambtshalve adreswijzigingen in de Basisregistratie Personen (BRP) niet-ontvankelijk werden verklaard. Het college stelde dat eiseres geen belanghebbende was bij deze besluiten en handelde daarom terecht.

De rechtbank oordeelt echter dat eiseres als bewindvoerder wel degelijk een objectief, persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij de besluiten, omdat wijzigingen in het inschrijfadres financiële gevolgen hebben, zoals huurtoeslagkortingen die de onder bewind gestelde raken. De rechtbank stelt dat het maken van bezwaar tegen deze besluiten een proactieve taak van de bewindvoerder is ter bescherming van de onder bewind gestelde goederen.

Daarnaast vernietigt de rechtbank het besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete, omdat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd dat betrokkene de aangifteplicht heeft geschonden. De rechtbank beveelt het college aan om opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van eiseres binnen de wettelijke termijn en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van de bewindvoerder wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: 25/3653

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene], uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Inleiding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 2 juni 2025 (verzonden op 10 juni 2025) (bestreden besluit), over het niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaren van twee bezwaarschriften van eiseres.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres was haar gemachtigde aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L.M. Claessen.

Beoordeling door de rechtbank

1. De feiten
1.1
[betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) woonde aan de [adres 1] in [woonplaats] . Zij stond daar ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Eiseres is bewindvoerder over de goederen van [betrokkene] .
1.2
Op 5 september 2024 heeft woningcorporatie [woningcorporatie] aan het college medegedeeld dat het vermoeden was ontstaan dat [betrokkene] bij haar zoon aan de [adres 2] in [woonplaats] woonde.
1.3
Op 21 oktober 2024 hebben toezichthouders van de gemeente een controle uitgevoerd bij het adres aan de [adres 2] in [woonplaats] . [betrokkene] is op dat adres aangetroffen. Zij heeft tijdens de controle verklaard te wonen op het inschrijfadres.
1.4
Het college heeft in een brief van 22 oktober 2024 aan [betrokkene] medegedeeld dat het college heeft vernomen dat [betrokkene] niet langer op het inschrijfadres woonde. Het college heeft [betrokkene] de gelegenheid gegeven om binnen vijf werkdagen een adreswijziging door te geven.
1.5
In een brief van 22 november 2024 heeft het college aan [betrokkene] medegedeeld dat het college geen adreswijziging heeft ontvangen. Het college heeft medegedeeld voornemens te zijn om de adresgegevens ambtshalve te wijzigen in de [adres 2] in [woonplaats] en om aan [betrokkene] een bestuurlijke boete op te leggen. Het college heeft die brief verzonden naar beide adressen.
1.6
Bij het besluit van 6 december 2024 (primair besluit I) – dat drie besluitonderdelen bevat – heeft het college besloten om het adres van [betrokkene] in de BRP ambtshalve te wijzigen naar de [adres 2] in [woonplaats] [1] , heeft het college besloten om [betrokkene] een bestuurlijke boete op te leggen van € 325,- en heeft het college besloten tot invordering van die bestuurlijke boete.
1.7
Op 17 januari 2025 heeft eiseres de volgende adreswijziging doorgegeven voor [betrokkene] : per 12 januari 2025 verhuisd naar de [adres 1] in [woonplaats] .
1.8
In een brief van 6 februari 2025 heeft het college aan [betrokkene] het voornemen medegedeeld geen gehoor te zullen geven aan de adreswijziging, omdat het college niet vast heeft kunnen stellen dat [betrokkene] op het adres aan de [adres 1] in [woonplaats] verbleef.
1.9
Bij besluit van 13 februari 2025 (primair besluit II) heeft het college besloten om gevolg te geven aan de adreswijziging en het adres van [betrokkene] te wijzigen in de BRP naar de [adres 1] in [woonplaats] per 7 februari 2025.
1.1
Eiseres heeft op 19 februari 2025 en op 21 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen primair besluit I en primair besluit II.
1.11
Op 10 april 2025 heeft [opvanghuis] namens [betrokkene] de volgende adreswijziging doorgegeven: op 3 april 2025 verhuisd naar de [adres 3] in [woonplaats] .
1.12
Bij bestreden besluit heeft het college de bezwaarschriften van eiseres niet ontvankelijk verklaard, voor zover de bezwaarschriften zijn gericht tegen het (ambtshalve) wijzigen van het adres van de onder bewind gestelde. Volgens het college is eiseres geen belanghebbende bij die delen van de primaire besluiten. Bij bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de bestuurlijke boete ongegrond verklaard.
1.13
Eiseres heeft daar op 22 juli 2025 beroep tegen ingesteld.
2. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Omvang van het geding
3.1
Het college heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen primair besluit I gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Het college heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen primair besluit II volledig niet-ontvankelijk verklaard.
3.2
Voor zover de bezwaarschriften niet-ontvankelijk zijn verklaard, kan de rechtbank uitsluitend beoordelen of het college die bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en meer specifiek of eiseres kan worden aangemerkt als belanghebbende bij primair besluit I en II. De inhoudelijke gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen primair besluit I – voor zover daarin is besloten tot een ambtshalve adreswijziging – en primair besluit II vallen daarom buiten de omvang van dit geding. In het geval dat de rechtbank oordeelt dat het college de bezwaarschriften ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het aan het college om eerst inhoudelijk opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen.
4. Gronden
4.1
Eiseres heeft aangevoerd dat het college haar bezwaarschriften ten onrechte (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres stelt dat zij wel belanghebbende is bij primair besluit I en II. Op grond van artikel 1:438, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft eiseres het beheer over de onder bewind gestelde goederen. De besluiten hebben financiële gevolgen voor die goederen. [betrokkene] is namelijk gekort op huurtoeslag en moet dat over enkele maanden in de jaren 2024 en 2025 terugbetalen. [2] Het is op grond van artikel 1:441, eerste lid, van het BW de taak van eiseres om [betrokkene] in en buiten rechte te vertegenwoordigen. De bewindvoerder kan volgens die bepaling ook alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Dit omvat mede het instellen van rechtsmiddelen tegen besluiten waardoor de financiële belangen van [betrokkene] worden geraakt of zullen worden geraakt. Het college stelt ten onrechte dat aan eiseres geen bevoegdheden toekomen ter zake van de aangifte van een adreswijziging van [betrokkene] . Het college heeft de door eiseres op 17 januari 2025 gedane adreswijziging van [betrokkene] wel doorgevoerd bij primair besluit II. In een e-mailbericht van 7 februari 2025 heeft het college ook aan eiseres medegedeeld dat zij bevoegd is om ten behoeve van [betrokkene] aangifte van haar adreswijziging te doen. Als het college een schriftelijke machtiging van [betrokkene] nodig achtte, had het college eiseres een termijn moeten bieden om een dergelijke machtiging te overleggen.
4.2
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het college de bestuurlijke boete in primair besluit I ten onrechte heeft opgelegd. Volgens eiseres is de aangifteverplichting niet geschonden. Het adres van [betrokkene] was niet gewijzigd naar het adres aan de [adres 2] . [betrokkene] huurde de woning aan de [adres 1] en betaalde daar maandelijks huur voor. Het college heeft ook geen gedegen onderzoek gedaan, die de conclusie zou rechtvaardigen dat het adres van [betrokkene] zou zijn gewijzigd naar dat adres. Het college kan die conclusie niet baseren op het aantal ledigingen van de container en één bezoek aan de woning in de [adres 2] .
5. Beoordeling
5.1
Het doel van de BRP is dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de BRP gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. [3]
5.2
Een ingezetene die van adres verandert is verplicht om aangifte te doen. [4] Gegevens betreffende het oude en nieuwe adres worden aan de aangifte ontleend, tenzij het aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn. [5] Als een persoon in gebreke is met het doen van aangifte en het college weet krijgt van de adreswijziging, zal het de gegevens ambtshalve opnemen. [6]
Niet-ontvankelijk verklaring
5.3
Tussen partijen is in geschil of eiseres in haar hoedanigheid van bewindvoerder belanghebbende is bij het besluit tot ambtshalve wijziging van het adres van [betrokkene] (primair besluit I) en het besluit tot het in afwijking van de aangifte (wat betreft de datum van verhuizing) wijzigen van het adres van [betrokkene] (primair besluit II).
5.4
Onder belanghebbende wordt in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. [7]
5.5
Het college stelt zich – onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2023 [8] – op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is bij (een deel van) primair besluit I en primair besluit II. Eiseres is in de hoedanigheid als bewindvoerder niet bevoegd om wijzigingen door te geven in de zin van de Wet BRP zonder machtiging van de persoon wiens goederen onder bewind staan. Omdat op grond van de Wet BRP, noch op grond van het BW aan eiseres in dit verband bevoegdheden toekomen, is het college van mening dat eiseres geen objectief, persoonlijk, rechtstreeks en eigen belang heeft bij de primaire besluiten. Het college acht artikel 1:438, eerste lid en artikel 1:444, eerste lid, van het BW niet relevant, omdat die bepalingen alleen van toepassing zijn op een onder bewind gesteld goed. In de primaire besluiten zijn geen vermogensrechten van de onder bewind gestelde in geding.
5.6
De rechtbank is van oordeel dat het college de bezwaarschriften van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is – anders dan de rechtbank Den Haag – van oordeel dat eiseres in haar hoedanigheid van bewindvoerder belanghebbende is bij het besluit tot ambtshalve wijziging van het adres van [betrokkene] (primair besluit I) en het besluit tot het in afwijking van de aangifte wijzigen van het adres van [betrokkene] (primair besluit II). De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
5.7
Een wijziging van een inschrijfadres in de BRP van een persoon die huurtoeslag ontvangt heeft automatisch (financiële) gevolgen voor de goederen van die persoon. Dat is onafhankelijk van het antwoord op de vraag of een bewindvoerder een wettelijke bevoegdheid heeft om een adreswijziging door te geven. Een antwoord op die vraag laat de rechtbank daarom in het midden. In de Wet op de Huurtoeslag [9] staat namelijk dat een recht op huurtoeslag afhankelijk is van een inschrijving in de BRP op het adres van de woning ten aanzien waarvan huurtoeslag is aangevraagd. De kantonrechter heeft een bewind ingesteld over de goederen die [betrokkene] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. [10] Tijdens dat bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan [betrokkene] maar aan de bewindvoerder. [11] Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van haar taak [betrokkene] in en buiten rechte. De vertegenwoordigingsbevoegdheid geldt alleen met betrekking tot handelingen die de onder bewind staande goederen betreffen. [12] De bewindvoerder kan daarnaast voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen. [13] Uit de wetsgeschiedenis bij die bepalingen volgt dat de bewindvoerder proactief dient te zijn en dat het tot diens taak behoort om bij te dragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende. [14] De rechtbank is van oordeel dat het daarom redelijkerwijs tot de taak van de bewindvoerder behoort om te procederen tegen bestuursrechtelijke besluiten die directe gevolgen hebben voor de goederen van de rechthebbende. Het maken van bezwaar tegen de primaire besluiten over een adreswijziging in de BRP is een proactieve handeling van de bewindvoerder die strekt ten behoeve van het beheer van de onder bewind gestelde goederen. In die hoedanigheid heeft eiseres een objectief, persoonlijk, rechtstreeks en eigen belang bij de primaire besluiten. De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat het gelet op de persoonlijke problematiek van deze rechthebbende niet van de rechthebbende verlangd kan worden om die taak zelf op zich te nemen.
5.8
Het voorgaande betekent daarnaast dat het college primair besluit I en primair besluit II ook ten onrechte niet aan eiseres bekend heeft gemaakt. Het subsidiair door verweerder in het verweerschrift ingenomen standpunt dat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt tegen primair besluit I, kan daarom redelijkerwijs ook niet aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ten grondslag worden gelegd door het college.
5.9.
Deze beroepsgrond slaagt dus.
Bestuurlijke boete
5.1
De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft. [15] Het college kan een bestuurlijke boete van ten hoogste € 325,- opleggen, wanneer die aangifteplicht bewust wordt overtreden. [16]
5.11
In primair besluit I heeft het college een dergelijke bestuurlijke boete opgelegd aan [betrokkene] . In het bestreden besluit heeft het college de bestuurlijke boete in stand gelaten.
5.12
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft besloten dat eiseres geen bezwaargronden heeft aangevoerd tegen het opleggen van de bestuurlijke boete. In een brief van 17 april 2025 heeft eiseres ‘aanvullende gronden van bezwaar’ ingediend bij het college. Uit die brief blijkt dat eiseres wel degelijk gronden heeft aangevoerd tegen dat deel van primair besluit I. Op pagina 4 en onder punt 16 van die brief staat:
“Nu het besluit tot ambtshalve wijziging van de BRP-gegevens van belanghebbende in rechte geen stand houdt, dient eveneens het besluit tot het opleggen van een boete ad € 325,00 te worden vernietigd”.Daar kan redelijkerwijs uit worden afgeleid dat eiseres heeft bedoeld om alle bezwaargronden die zijn aangevoerd tegen het ambtshalve wijzigen van de adreswijziging ook aan te voeren tegen het opleggen van de bestuurlijke boete.
5.13
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat het college bevoegd was om de bestuurlijke boete op te leggen. Het college heeft onvoldoende met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat het adres van [betrokkene] daadwerkelijk was gewijzigd en dat zij de aangifteplicht heeft geschonden. Het college heeft die conclusie – gelet op de persoonlijke problematiek van [betrokkene] – niet kunnen afleiden uit het aantal ledigingen van de containers in 2023 en 2024. Een laag aantal ledigingen van de containers past redelijkerwijs bij de verzameldrang die bij [betrokkene] is geconstateerd. De conclusie dat [betrokkene] zou zijn verhuisd kon het college ook niet afleiden uit de controle op 21 oktober 2024 of de verklaringen van woningbouwvereniging [woningcorporatie] . Tijdens de controle is [betrokkene] op het adres aan de [adres 2] aangetroffen. Uit het controlerapport en uit de verklaringen van [woningcorporatie] blijkt echter niet dat is geconstateerd dat op dat adres persoonlijke spullen en/of een slaapplaats van [betrokkene] zijn aangetroffen. Tijdens de controle heeft [betrokkene] expliciet verklaard dat zij woonde op het inschrijfadres en dat ze overdag bij haar zoon op het adres aan de [adres 2] verbleef. De rechtbank acht het voorstelbaar dat eiseres gelet op haar persoonlijke problematiek overdag bij haar zoon verbleef. Uit de stukken blijkt dat [betrokkene] namelijk moeite heeft om voor zichzelf te zorgen. Daarnaast heeft het college de conclusie dat [betrokkene] was verhuisd ook niet kunnen baseren op bewoordingen van eiseres. Die zijn geuit in het kader van de uitoefening van haar taak als bewindvoerder om zo snel als mogelijk het recht op huurtoeslag van [betrokkene] te herstellen. Samengevat geldt dat er mogelijk wat feitelijke aanwijzingen waren voor een verhuizing, maar dat het college hierop niet de conclusie kon baseren dat rechthebbende daadwerkelijk verhuisd is naar de [adres 2] . Dan ontbreekt ook een grondslag tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
5.14
Ook deze beroepsgrond slaagt dus.
6. Conclusie
6.1
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Er is geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan college is om opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van eiseres tegen primair besluit I en primair besluit II, met inachtneming van deze uitspraak en binnen de wettelijke daarvoor geldende termijn. [17] Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar verwachting geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
6.2
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
6.3
Het college zal daarnaast worden veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften van eiseres met inachtneming van deze uitspraak en binnen de daarvoor geldende wettelijke beslistermijn;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Wettelijk kader

Wet basisregistratie personen (Wet BRP)
Artikel 2.20 van de Wet BRP
Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
Als datum van adreswijziging wordt opgenomen:
de in de aangifte vermelde datum van adreswijziging, als tijdig aangifte is gedaan;
de dag waarop de aangifte is ontvangen, in de overige gevallen waarin de gegevens aan de aangifte van de betrokkene worden ontleend;
de dag waarop van het voornemen tot opneming aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan, bij ambtshalve opneming van de gegevens.
4. De gewijzigde gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld. Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.20, tweede lid, van de Wet BRP.
2.Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres verwezen naar: Rechtbank Rotterdam 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10234, r.o. 4.
3.ABRvS 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:464, r.o. 4.8.
4.Artikel 2.39 van de Wet BRP.
5.Artikel 2.20, eerste lid, van de Wet BRP.
6.Artikel 2.20, tweede lid, van de Wet BRP.
7.ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2073, r.o. 3.2.
8.Rechtbank Den Haag 15 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2061, r.o. 4.
9.Artikel 9, eerste lid, onder a, van de Wet op de Huurtoeslag.
10.Artikel 1:431, eerste lid, van het BW.
11.Artikel 1:438, eerste lid, van het BW.
12.Artikel 1:441, eerste lid, van het BW en
13.Artikel 1:441, eerste lid, van het BW.
15.Artikel 2.39, eerste lid, van de Wet BRP.
16.Artikel 4.17, onder a, van de Wet BRP en artikel 3, eerste lid, onder a, van de Beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Tilburg .
17.Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.