Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4932

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/5359
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor verhuiskosten

Eisers hebben bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuiskosten, waaronder dubbele huur en woninginrichting. Werkplein wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk en voorzienbaar zou zijn, en er geen medische of sociale noodzaak was aangetoond.

De rechtbank stelt vast dat de woning te klein was en de medische situatie van eiser een verhuizing noodzakelijk maakt. De voorzienbaarheid van de verhuizing is niet relevant voor de noodzakelijkheid, maar wel voor de vraag of eisers hadden kunnen reserveren voor de kosten. Werkplein heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de reserveringscapaciteit van eisers.

De rechtbank constateert een motiverings- en onderzoeksgebrek in het besluit van Werkplein en stelt Werkplein in de gelegenheid dit te herstellen binnen vier weken. Eisers krijgen daarna de mogelijkheid om te reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank wijst Werkplein aan om het besluit over bijzondere bijstand te herstellen en houdt verdere beslissing aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5359 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser en

[eiseres], eiseres, beiden uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en

het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (Werkplein).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat Werkplein ten onrechte heeft gesteld dat de kosten niet noodzakelijk zijn en daarom verder dient te bezien of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Werkplein krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid dit gebrek te herstellen.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 5 april 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten, waaronder dubbele huur, huur van een bus, lampen, laminaat, raamdecoratie en verfkosten en toebehoren. Werkplein heeft deze aanvraag met het besluit van 14 mei 2025 afgewezen (primair besluit). Met het bestreden besluit van 24 september 2025 op het bezwaar van eisers is Werkplein, met aanvulling van de motivering, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Werkplein heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde en hun tolk [tolk] . Namens Werkplein is [gemachtigde] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Werkplein heeft bijzondere bijstand geweigerd, omdat er geen sprake is van een noodzakelijke niet uitstelbare verhuizing. Eisers hebben geen concrete bewijsstukken overgelegd waaruit de noodzaak blijkt om op grond van medische dan wel sociale redenen te verhuizen, die niet uitstelbaar is. Bovendien blijkt nergens uit dat de medische problemen zijn ontstaan door de woning waar eisers woonden. Uit wat eisers aanvoeren blijkt weliswaar dat het wenselijk is om te verhuizen, maar niet dat de woonsituatie zodanig onhoudbaar was dat zij geen andere keus hadden dan op korte termijn te verhuizen naar een andere woning. Daarnaast stonden eisers al meerdere jaren ingeschreven voor een andere woning en hadden zij dus ook al langer het voornemen om te verhuizen. Het betreft daarom een voorzienbare verhuizing. Hierdoor zijn het geen noodzakelijke kosten. Als de verhuizing niet noodzakelijk is, volgt daaruit ook dat de kosten van woninginrichting en dubbele huur niet noodzakelijk zijn. Tot slot stelt Werkplein dat het gaat om een gebonden formele wet, waardoor er geen ruimte is voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en dat geen sprake is van een ernstige onevenwichtigheid door de toepassing van de gebonden wetsbepaling.
Het standpunt van eisers
4. Eisers stellen dat in het kader van de belangenafweging gekeken dient te worden naar alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling of de kosten noodzakelijk zijn. Dat eisers door inschrijfduur in aanmerking kwamen voor een woning betekent niet dat geen sprake is van een noodzaak daartoe. Vanuit de WMO is aangegeven dat zij urgentie konden krijgen bij Klik voor Wonen. Daarop is echter geen terugkoppeling van Klik voor Wonen gekomen en in de tussenliggende periode hebben zij een woning toegewezen gekregen op grond van hun inschrijfduur. Eiser heeft namelijk te kampen met longproblematiek. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar medische stukken. Daarnaast was de woning niet geschikt om door meerdere mensen bewoond te worden, temeer gezien de vocht- en schimmelproblematiek. Uit deze omstandigheden blijkt volgens eisers dat sprake is van een noodsituatie tot verhuizing.
4.1
Eisers vinden het onnavolgbaar dat onder deze omstandigheden omwille van het
ontbreken van een medische verklaring dan wel een urgentieverklaring geen sprake zou zijn van een noodzakelijke verhuizing. Daarnaast was het voor eisers geen voorzienbare verhuizing, gezien de onmogelijkheden om te verhuizen op korte termijn. Verder hebben eisers ook te kampen met de nodige schulden.
Toetsingskader
5. Volgens vaste rechtspraak moet bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW (bijzondere bijstand) achtereenvolgens worden beoordeeld:
of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen
of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn
of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden
of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak worden de kosten van een verhuizing gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit algemene bijstand en aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. [1]
5.2.
Het is aan eisers als aanvragers van bijzondere bijstand om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand.
Omvang van het geschil
6. Niet in geschil is dat de kosten waarvoor eisers bijzondere bijstand hebben aangevraagd zich voordeden. Tussen partijen staat ter discussie of de kosten noodzakelijk en voorzienbaar waren.
Heeft Werkplein terecht gesteld dat de kosten niet noodzakelijk zijn?
7. Uit het dossier blijkt dat eisers met drie personen in een klein appartement met één slaapkamer woonden, met beperkte ventilatie. De rechtbank is van oordeel dat er, op grond van met name het gespreksverslag WMO, geen reden bestaat om te twijfelen aan de noodzaak van de verhuizing, gezien de grootte van de woning in combinatie met het gebrek aan ventilatie en verwarming en de medische situatie van eiser. In tegenstelling tot wat Werkplein lijkt te denken, komt de voorzienbaarheid van de kosten niet aan de orde bij deze vraag. In zoverre kan het bestreden besluit dus niet worden gedragen door de motivering die Werkplein daaraan ten grondslag heeft gelegd.
Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden?
8. Hierbij spelen de voorzienbaarheid en reservering wel een rol.
8.1.
Eiser woonde vanaf juni 2022 in het appartement en sinds 26 september 2022 zijn eiseres en hun dochter bij hem ingetrokken. Sindsdien is een verhuizing voorzienbaar geworden, aangezien het wonen met drie personen in een klein appartement met één slaapkamer duidelijk te krap is. Eiser heeft vervolgens medische klachten gekregen. Daarmee is een verhuizing weliswaar urgenter geworden, maar deze was nog steeds voorzienbaar. De medische situatie van eiser maakt dat niet anders.
8.2.
Dat brengt mee dat eisers in ieder geval vanaf 1 oktober 2022 hadden moeten reserveren voor verhuiskosten. Volgens het beleid van de gemeente Roosendaal moet 36 maanden voorafgaand aan de verhuizing gereserveerd worden. Eisers zijn in april 2025 verhuisd, wat neerkomt op een reserveringsperiode van 30 maanden. Uit het dossier blijkt op dit moment onvoldoende of eisers voldoende hebben kunnen reserveren voor deze kosten. Eisers hebben vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zij niet hebben kunnen reserveren, maar Werkplein heeft daar naar het oordeel van de rechtbank tot nu toe ook onvoldoende onderzoek naar gedaan. Zo ontbreekt een berekening van de reserveringscapaciteit.
8.3.
Voor zover eisers stellen dat zij vanwege schulden niet konden sparen, kan hen dit niet baten. Volgens vaste rechtspraak is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. [2]

Conclusie en gevolgen

9. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiverings- en een onderzoeksgebrek.
9.1.
Op grond van artikel 8,51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal Werkplein in de gelegenheid stellen om het hiervoor geconstateerde gebrek te herstellen.
9.2.
Meer concreet dient Werkplein te bezien of sprake is van kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Werkplein mag daarbij rekening houden met de reserveringsruimte die eisers geacht worden te hebben gehad. Vervolgens moet Werkplein de vraag beantwoorden of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
9.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze uitspraak. Als Werkplein hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
9.4.
Als Werkplein gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, zal de rechtbank vervolgens eisers in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van Werkplein.
9.5.
In beginsel, ook in de situatie dat Werkplein de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.6.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt Werkplein op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt Werkplein in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2016 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2016:2813.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2017 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2017:2332.