Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4933

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3101
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a Wet op de loonbelasting 1964Art. 10e Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965Art. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing 30%-regeling voor ingekomen werknemer na V.I.E.-programma en stage

Belanghebbende, werkzaam bij [werkgever] B.V. via het Franse V.I.E.-programma en later in dienst getreden, verzocht samen met haar werkgever om toepassing van de 30%-regeling. De inspecteur wees dit verzoek af omdat belanghebbende volgens hem een lokaal aangeworven werknemer was, mede vanwege haar stageperiode die volgens de inspecteur binnen een opleiding moest vallen.

De rechtbank beoordeelde dat de definitie van stage door de inspecteur te eng werd gehanteerd. Ook na afronding van een opleiding kunnen nog kennis en vaardigheden worden overgedragen, zoals in het geval van belanghebbende die deelnam aan een door de Franse overheid gefinancierd programma gericht op kennisuitbreiding. De rechtbank verwierp de stelling dat de stage per se binnen een opleiding moet plaatsvinden en vond dat de situatie van belanghebbende binnen de jurisprudentie van de Hoge Raad valt.

De rechtbank concludeerde dat belanghebbende kwalificeert als ingekomen werknemer en dat de inspecteur ten onrechte het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling heeft afgewezen. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de beschikking gewijzigd. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op toepassing van de 30%-regeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3101

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 mei 2025.
1.1.
Belanghebbende en haar [werkgever] B.V. hebben de inspecteur gezamenlijk verzocht om toepassing van de bewijsregel (de 30%-regel) als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB), gelezen in verband met artikel 10e, tweede lid, onderdelen a en b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB).
1.2.
De inspecteur heeft het verzoek bij beschikking van 22 januari 2024 afgewezen. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft drs. [gemachtigde] , de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het verzoek om toepassing van de 30%-regeling ten onrechte heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het verzoek om toepassing van de 30%-regeling ten onrechte afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende was in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 maart 2023 werkzaam bij [werkgever] B.V. (inhoudingsplichtige) in het kader van haar deelname aan het door de Franse overheid gefinancierde programma Volontariat International en Entreprise (V.I.E.-programma).
4.1.
Voorafgaand aan haar deelname aan het V.I.E.-programma was belanghebbende woonachtig in Frankrijk.
4.2.
Belanghebbende en de inhoudingsplichtige zijn op 29 maart 2023 een arbeidsovereenkomst overeengekomen. Per 1 april 2023 is belanghebbende in dienst getreden bij de inhoudingsplichtige.

Motivering

Kwalificeert belanghebbende als ingekomen werknemer?
5. Om een ingekomen werknemer te zijn, moet belanghebbende in de periode van 24 maanden voorafgaand van de tewerkstelling 16 maanden woonachtig zijn geweest op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens. [1] Uit jurisprudentie van de Hoge Raad [2] volgt dat onder ‘aangeworven uit een ander land’ de situaties vallen waarin de werknemer bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst nog niet in Nederland woonde en ook niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was.
5.1.
Belanghebbende heeft een gezamenlijk verzoek met de inhoudingsplichtige gedaan om toepassing van de 30%-regeling. Voor partijen is daarbij alleen in geschil of belanghebbende een ingekomen werknemer is. Belanghebbende stelt dat zij wel uit een ander land is aangeworven omdat zij onder de reikwijdte van de arresten van de Hoge Raad valt. Belanghebbende was op het moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst met de inhoudingsplichtige namelijk geen fiscaal inwoner van Nederland en was niet werkzaam in Nederland omdat de werkzaamheden bij de inhoudingsplichtige aan te merken zijn als een stage. De inspecteur voert aan dat belanghebbende een lokaal aangeworven werknemer is. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2008 volgt, aldus de inspecteur, dat de stage in het kader van de opleiding moet zijn uitgeoefend. [3] Niet in geschil is het feit dat belanghebbende niet aan het VIE-programma heeft deelgenomen in het kader van haar opleiding. Haar deelname vond plaats na haar opleiding Human Resources Management.
5.2.
Taalkundig wordt onder ‘stage’ verstaan:
“praktische leertijd bij de beroepsopleiding”. [4] Onder ‘opleiding’ wordt verstaan:
“het opleiden of opgeleid worden”. [5] Onder ‘opleiden’ wordt verstaan:
“de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen”. [6]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de definitie van de inspecteur van het begrip stage te eng. Een stage kan ook plaatsvinden na een opleiding aan een onderwijsinstelling zoals bij belanghebbende het geval is. Ook na een opleiding aan een onderwijsinstelling kunnen namelijk nog kennis en vaardigheden overgebracht worden. De rechtbank verwerpt de argumentatie van de inspecteur dat uit de formulering ‘opleiding of stage’ in de arresten van de Hoge Raad volgt dat de stage in het kader van een opleiding moet plaatsvinden. De rechtbank ziet niet in waarom dan de toevoeging ‘of stage’ in dat verband dan nog gedaan zou zijn door de Hoge Raad. Verder is daarmee ook niet gegeven dat de opleiding er een dient te zijn binnen de kaders zoals de inspecteur die lijkt te stellen, namelijk aan een erkende onderwijsinstelling. Met een taalkundige uitleg valt het programma daarom onder de uitzondering van de Hoge Raad te scharen, gelet op de omstandigheid dat in dit geval belanghebbende een overeenkomst is aangaan met een Franse overheidsinstelling die geld en middelen faciliteert zodat belanghebbende vaardigheden kan opdoen bij een bedrijf.
De stelling van de inspecteur dat de aard van de werkzaamheden van belanghebbende tot de conclusie moet leiden dat geen sprake is van een stage gelet op de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 oktober 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:7267), treft geen doel. De rechtbank acht daarvoor van belang dat in die situatie nauw is aangesloten bij de contractuele bepalingen tussen de betreffende partijen. De onderhavige situatie is in die zin afwijkend dat het hier gaat om een situatie waarbij drie partijen betrokken zijn, namelijk belanghebbende, de inhoudingsplichtige en de Franse overheidsinstelling. Deze situatie is dus wezenlijk anders en lijkt daardoor ook juist te wijzen op het verrichten van werk gericht op het uitbreiden van kennis en ervaring van belanghebbende. Op voorhand valt niet in te zien waarom de Franse overheid daar voor zichzelf een taak ziet indien dit niet betreft de ontwikkeling van de betrokken deelnemer(s). Belanghebbende onderbouwt dus met haar verwijzing naar de contractuele relatie dat haar werk in het kader van een stage of opleiding is verricht. Daartegenover heeft de inspecteur geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat dit anders ligt.
5.4.
De situatie van belanghebbende valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Belanghebbende kwalificeert wel als een ingekomen werknemer. De inspecteur heeft ten onrechte het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling afgewezen. Belanghebbende heeft recht op toepassing van de 30%-regeling voor de looptijd van 1 april 2023 tot en met 31 augustus 2026.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat belanghebbende wel voldoet aan de voorwaarden van de 30%-regeling. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde van € 666. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 2.534. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking en wijst het verzoek om toepassing van de 30%-regeling toe;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het UBLB.
2.Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4064 en Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4068.
3.Hoge Raad van 24 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3167.
4.Van Dale Online, 2026 Van Dale Uitgevers, raadpleegbaar via www.vandale.nl. Het betreft het woord ‘stage’, en dan het tweede lemma dat meer aansluit bij een situatie die niet ziet op een beroepsbeoefenaar.
5.Van Dale Online, 2026 Van Dale Uitgevers, raadpleegbaar via www.vandale.nl. Het betreft het woord ‘opleiding’.
6.Van Dale Online, 2026 Van Dale Uitgevers, raadpleegbaar via www.vandale.nl. Het betreft het woord ‘opleiden’.
7.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.