ECLI:NL:HR:2006:AW4068
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing 30%-regeling bij oprichting BV en inkomende werknemer
Belanghebbende, een tandarts die in 1984 naar Duitsland emigreerde, kocht in 2000 samen met zijn echtgenote een tandartsenpraktijk in Nederland en sloot een voorovereenkomst tot oprichting van een BV die de praktijk zou gaan drijven. Hoewel de BV pas in maart 2001 werd opgericht, was belanghebbende vanaf 1 januari 2001 werkzaam in de praktijk en werd de arbeidsovereenkomst door de BV bekrachtigd.
De Inspecteur wees een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling af, hetgeen door belanghebbende werd aangevochten. Het Hof verwierp zijn beroep, maar de Hoge Raad vernietigde deze uitspraak. De Hoge Raad stelde dat een arbeidsovereenkomst ook kan bestaan voordat de BV is opgericht en dat de oprichter als inkomende werknemer kan worden aangemerkt voor de 30%-regeling.
De Hoge Raad oordeelde dat de voorovereenkomst en het feit dat belanghebbende voorafgaand aan de oprichting werkzaamheden verrichtte, niet verhinderen dat hij als inkomende werknemer wordt beschouwd. De zaak werd verwezen naar het Hof voor verdere behandeling, met inachtneming van dit arrest. Tevens werden proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en verwijst de zaak terug met de uitleg dat belanghebbende als inkomende werknemer moet worden aangemerkt voor toepassing van de 30%-regeling.