ECLI:NL:RBZWB:2026:5059
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering persoonsgebonden budget na opname in Wlz-instelling bevestigd ondanks motiveringsgebrek
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) over 2022 door het Zorgkantoor, nadat betrokkene was opgenomen in een Wet langdurige zorg (Wlz)-instelling. Eisers, de erfgenamen van betrokkene, voerden aan dat zij in de veronderstelling verkeerden dat de betalingen uit het pgb niet stopgezet hoefden te worden na opname. De rechtbank oordeelt dat het besluit tot intrekking van het pgb per 9 mei 2022 rechtsgeldig is en dat er sprake is van overbesteding omdat het pgb werd doorbetaald terwijl zorg in natura werd ontvangen.
Hoewel het Zorgkantoor het bestreden besluit pas in beroep heeft gemotiveerd, waardoor het besluit wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De belangenafweging van het Zorgkantoor, gericht op het voorkomen van ondoelmatige besteding van gemeenschapsgeld, weegt zwaar. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering tot onevenredige gevolgen leidt.
De rechtbank wijst erop dat eisers ten onrechte dachten dat zij het pgb niet hoefden stop te zetten en dat het Zorgkantoor voldoende heeft geïnformeerd over de beëindiging van het pgb bij opname in een instelling. De terugvordering wordt daarom bevestigd, waarbij rekening is gehouden met een eenmalige uitkering waardoor het bedrag is gehalveerd. Het Zorgkantoor moet het griffierecht vergoeden aan eisers.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de terugvordering van het pgb blijft in stand.