Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5059

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/6736 WLZ
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3.3.1 WlzArt. 3.3.3 WlzArt. 5.16 Regeling langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering persoonsgebonden budget na opname in Wlz-instelling bevestigd ondanks motiveringsgebrek

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) over 2022 door het Zorgkantoor, nadat betrokkene was opgenomen in een Wet langdurige zorg (Wlz)-instelling. Eisers, de erfgenamen van betrokkene, voerden aan dat zij in de veronderstelling verkeerden dat de betalingen uit het pgb niet stopgezet hoefden te worden na opname. De rechtbank oordeelt dat het besluit tot intrekking van het pgb per 9 mei 2022 rechtsgeldig is en dat er sprake is van overbesteding omdat het pgb werd doorbetaald terwijl zorg in natura werd ontvangen.

Hoewel het Zorgkantoor het bestreden besluit pas in beroep heeft gemotiveerd, waardoor het besluit wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De belangenafweging van het Zorgkantoor, gericht op het voorkomen van ondoelmatige besteding van gemeenschapsgeld, weegt zwaar. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering tot onevenredige gevolgen leidt.

De rechtbank wijst erop dat eisers ten onrechte dachten dat zij het pgb niet hoefden stop te zetten en dat het Zorgkantoor voldoende heeft geïnformeerd over de beëindiging van het pgb bij opname in een instelling. De terugvordering wordt daarom bevestigd, waarbij rekening is gehouden met een eenmalige uitkering waardoor het bedrag is gehalveerd. Het Zorgkantoor moet het griffierecht vergoeden aan eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de terugvordering van het pgb blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6736 WLZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

de erven van [persoon 1] , uit [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

CZ Zorgkantoor B.V. (het Zorgkantoor), verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. Zij vernietigt het bestreden besluit maar laat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand omdat het Zorgkantoor het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Dit betekent dat de terugvordering van het pgb in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 januari 2024 heeft het Zorgkantoor aan [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) meegedeeld dat hij over 2022 een bedrag van € 15.111,73 aan pgb moet terugbetalen.
2.1.
[gemachtigde 1] heeft als gemachtigde van [persoon 1] bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2024 heeft het Zorgkantoor dat bezwaar deels gegrond verklaard en de terugvordering vastgesteld op € 7.472,65.
2.2.
Namens [persoon 1] is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] en [zoon persoon 1] . De gemachtigde van het Zorgkantoor is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Op zitting is gebleken dat
[persoon 1] op 17 december 2024 overleden is. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om nadere vragen te stellen aan het Zorgkantoor.
2.3.
Met de brief van 4 november 2025 heeft het Zorgkantoor deze vragen beantwoord en onder meer aangegeven dat de terugvordering van het pgb overgaat op de erfgenamen van [persoon 1] . Eisers hebben op deze brief niet gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op 4 februari 2026 gesloten, nadat partijen is gevraagd of een nadere zitting gewenst is en zij daarop niet hebben gereageerd. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Met het besluit van 3 december 2021 heeft het Zorgkantoor aan [persoon 1] over 2022 een pgb op grond van de Wlz toegekend. Zijn echtgenote/weduwe ( [gemachtigde 1] ) en zijn zoon ( [zoon persoon 1] ) leverden deze zorg op grond van zorgovereenkomsten, waarvoor zij een maandloon ontvingen.
3.2.
Op 9 mei 2022 is [persoon 1] opgenomen in Wlz-zorginstelling [Wlz-zorginstelling] . Met het besluit van 26 juli 2022 heeft het Zorgkantoor het besluit tot toekenning van het pgb met ingang van 9 mei 2022 beëindigd (de rechtbank leest dit als ingetrokken) omdat [persoon 1] zorg in natura ontvangt. Het budget is hierdoor herberekend tot en met 9 mei 2022 op een bedrag van € 24.597,47.
3.3.
Tijdens de opname van [persoon 1] in de Wlz-zorginstelling tot aan de beëindiging van het pgb werden de maandlonen uit het pgb doorbetaald. Het bedrag dat de Svb over het jaar 2022 aan pgb heeft uitbetaald is € 39.709,20.
3.3.
Met het besluit van 24 januari 2024 (primair besluit) heeft het Zorgkantoor aan [persoon 1] meegedeeld dat hij een bedrag van € 15.111,73 moet terugbetalen, omdat sprake is van overbesteding van het pgb in 2022.
Bestreden besluit
3.4.1.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2024 heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard. Het Zorgkantoor stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 7.472,65.
3.4.2.
Het Zorgkantoor stelt dat het pgb terecht is beëindigd met ingang van 9 mei 2022, omdat het verblijf van [persoon 1] in [Wlz-zorginstelling] definitief is geworden. Vanaf het moment van opname in een instelling mag de budgethouder geen zorg vanuit het pgb meer inkopen en declareren. Alle zorg uit de Wlz valt dan onder opname en wordt bekostigd vanuit die opname, zoals persoonlijke verzorging en begeleiding. Bij verblijf in een instelling langer dan twee maanden wordt het pgb beëindigd.
De echtgenote van [persoon 1] bleef tijdens zijn opname ondersteuning bieden die kan worden aangemerkt als Wlz-zorg. Er mag echter geen zorg vanuit het pgb geleverd en gedeclareerd worden vanaf het moment van opname in een Wlz-instelling. Dat het pgb in dit geval pas later – met terugwerkende kracht – formeel is beëindigd maakt het niet anders. Het Zorgkantoor wil een pgb niet voorbarig beëindigen voor het geval de opname tijdelijk is.
3.4.3.
Het Zorgkantoor heeft aan [persoon 1] een zogenaamde eenmalige uitkering na beëindiging pgb toegekend. Deze eenmalige uitkering is een vergoeding van eenmaal een gemiddeld maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. De terugvordering is daarom verlaagd naar € 7.472,65.
3.4.4.
Het Zorgkantoor stelt verder dat, alhoewel hij ervan uitgaat dat de echtgenote van [persoon 1] zich niet realiseerde dat zij het maandloon stop had moeten zetten, zij goed is geïnformeerd. Het Zorgkantoor erkent dat, als de echtgenote inderdaad heeft gevraagd of zij nog iets moest doen, het fijner was geweest als nadrukkelijk was gezegd dat zij haar maandloon zou moeten stoppen. Dat zij het maandloon moest stoppen, blijkt echter al duidelijk uit de mededeling dat gedurende de opname geen zorg vanuit het pgb gedeclareerd mag worden. Het Zorgkantoor kan niet vaststellen dat eisers verkeerd geïnformeerd zijn en ziet daarin geen reden om niet terug te vorderen. Ook anderszins ziet het Zorgkantoor geen reden voor verlaging of kwijtschelding. Het Zorgkantoor begrijpt dat eisers deze vordering begin 2024 niet meer verwachtten maar het Zorgkantoor kan 5 jaar terugvorderen. Alhoewel het de bedoeling is om een vordering zou snel mogelijk bekend te maken, is de vordering juridisch gezien tijdig verstuurd. Eisers kunnen het Zorgkantoor overigens vragen om een passende betalingsregeling.
Herzieningsverzoek
3.5.1.
Op 7 september 2024 hebben eisers het Zorgkantoor verzocht om herziening van het bestreden besluit en kwijtschelding van de terugvordering.
3.5.2.
Het Zorgkantoor heeft dat verzoek met het besluit van 13 september 2024 afgewezen. Het Zorgkantoor stelt dat zijn boodschap dat de echtgenote geen zorg mocht verlenen tijdens een opname en zij alleen het verantwoordingsvrije bedrag mocht gebruiken, voldoende duidelijk was. De echtgenote had zich als gewaarborgde hulp moeten realiseren dat dit betekende dat zij het maandloon stop moest zetten, zeker gedurende de opname. Er is niet gebleken van andere berichtgeving op basis waarvan zij ervan uit mocht gaan dat het maandloon mocht worden uitbetaald ondanks opname.
Beroep
4.1.
Eisers voeren aan dat zij er alles aan gedaan hebben om het goed te regelen. Eisers waren in de veronderstelling dat zij drie maanden de tijd hadden om de overheveling van zorg thuis naar zorg in een instelling te regelen. Met de extra ondersteuning en begeleiding waren zij veel tijd kwijt. Eisers verwijzen naar de e-mail van 6 juni 2022, het omzettings-formulier van 23 juni 2022 en het telefoongesprek op 4 augustus 2022. In dit telefoongesprek is aangegeven dat alles geregeld was en eisers niets meer hoefden te doen.
4.3.
Eisers stellen verder dat het Zorgkantoor meer dan 1,5 jaar heeft gewacht met het versturen van de beschikking over het jaar 2022. Het gevolg hiervan is dat zij nu worden geconfronteerd met een bruto terugvordering. Volgens eisers heeft het Zorgkantoor onvoldoende rekening gehouden met de specifieke omstandigheden. Als de terugvordering gehandhaafd blijft, is netto terugvordering reëel en billijk.
Toetsingskader
5. De relevante wet- en regelgeving staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
6.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het Zorgkantoor op goede gronden een bedrag van € 7.472,65 van eisers terugvordert wegens overbesteding van het pgb in 2022.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 26 juli 2022, waarbij het pgb is ingetrokken per 9 mei 2022 en is herberekend, in rechte vast staat. Tegen dat besluit is namelijk geen bezwaar gemaakt. Daarmee staat vast dat [persoon 1] vanaf 9 mei 2022 geen recht heeft op pgb, omdat hij vanaf dat moment zorg in natura ontvangt.
6.3.
Dat de Svb over het jaar 2022 een bedrag van € 39.709,20 van het pgb heeft uitbetaald, is door eisers niet bestreden. Daarmee staat vast dat sprake is van overbesteding, aangezien er meer pgb is uitbetaald dan het bedrag waarop het pgb in het besluit van 26 juli 2022 is vastgesteld.
6.4.
Als een besluit tot intrekking of tot lagere vaststelling van het pgb heeft geleid tot onverschuldigd betaald pgb, kan het Zorgkantoor het onverschuldigd betaalde bedrag van de verzekerde terugvorderen. Omdat sprake is van een bevoegdheid zal het Zorgkantoor aan de hand van hetgeen verzekerde heeft aangevoerd moeten bezien of de terugvordering niet tot onevenredige gevolgen voor de verzekerde leidt. Volgens vaste rechtspraak moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen en terug te vorderen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging [1] . Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij ook de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de nadelige gevolgen van dat besluit voor een belanghebbende niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
6.5.
Eisers voeren aan dat zij in de veronderstelling waren het goed geregeld te hebben. Eisers hebben op zitting gewezen op informatie uit de brochure ‘Langdurige zorg met een pgb’ van het Zorgkantoor, waarin staat dat een opname in een zorginstelling langer dan twee maanden schriftelijk moet worden gemeld aan het Zorgkantoor en dat bij tijdelijke opname de toekenning doorloopt. Eisers stellen dat het de bedoeling was dat de opname van [persoon 1] tijdelijk zou zijn. Daarnaast hebben eisers in verband met het verblijf van [persoon 1] in [Wlz-zorginstelling] telefonisch contact opgenomen met het Zorgkantoor en met de Svb over stopzetting van het pgb. Volgens eisers is in het contact met het Zorgkantoor gezegd dat zij niets meer hoefden te doen en is in het contact met de Svb aangegeven dat de Svb automatisch melding van zou krijgen van het Zorgkantoor over de stopzetting van het pgb. Eisers hebben daarom de betalingen vanuit het pgb niet stopgezet.
6.6.
Het Zorgkantoor heeft op vragen van de rechtbank hierover geantwoord dat er uit navraag bij de Svb van één contactmoment op 9 maart 2022 is gebleken. Dat contact-moment had betrekking op inlogproblemen. De Svb kan niet uitsluiten dat er nog meer contact is geweest maar daarvan heeft geen registratie plaatsgevonden. Op 9 maart 2022 is er ook met het Zorgkantoor contact geweest over inlogproblemen. Daarnaast zijn er contactmomenten geregistreerd op 9 en 23 juni 2022 met het Zorgkantoor waarin is aangegeven dat er met opname van [persoon 1] in [Wlz-zorginstelling] niet meer mag worden betaald uit het pgb.
6.7.
Het is de rechtbank niet gebleken dat er rond de opname van [persoon 1] op 9 mei 2022 contact is geweest met het Zorgkantoor of de Svb, waarin door hen is aangegeven dat betaling uit het pgb zou worden stopgezet. Er is evenmin gebleken van een toezegging van het Zorgkantoor dat er na opname nog betalingen vanuit het pgb mochten worden gedaan. In dezelfde paragraaf in de brochure waarnaar eisers verwijzen staat: ‘Vergeet bij een opname niet de betaling van uw pgb-zorg bij de Svb stop te zetten’. Eisers verkeerden dan ook ten onrechte in de veronderstelling dat de betalingen uit het pgb niet stopgezet hoefden te worden. Door desondanks het maandloon niet stop te zetten en betalingen te (laten) blijven verrichten uit het pgb, is er overbesteding ontstaan.
6.8.
Het Zorgkantoor heeft in beroep in het kader van de belangenafweging gesteld dat het pgb gemeenschapsgeld is dat en dat het zijn wettelijke taak is om toe te zien op een doelmatige besteding. Onjuiste en ondoelmatige besteding van een pgb heeft nadelige gevolgen voor zowel de betaalbaarheid als de toegankelijkheid van langdurige zorg. Dit algemene belang weegt volgens het Zorgkantoor naar zijn aard zwaar en er is niet gebleken dat de terugvordering zodanig onevenredige gevolgen heeft dat daarvan af dient te worden gezien.
6.9.
Ook de rechtbank is niet gebleken van onevenredige gevolgen door de terugvordering. De rechtbank betrekt daarbij dat eisers op zitting hebben toegelicht dat er geen schulden als gevolg van de terugvordering zullen ontstaan. Er zijn derhalve geen onaanvaardbare gevolgen verbonden aan de terugvordering gebleken. Verder betrekt de rechtbank dat het Zorgkantoor bij vaststelling van de terugvordering rekening heeft gehouden met een eenmalige uitkering, waardoor de oorspronkelijke terugvordering ongeveer gehalveerd is.
6.10.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het Zorgkantoor het onverschuldigd betaalde pgb terug mocht vorderen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het Zorgkantoor daarbij had moeten volstaan met een nettobedrag.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond, omdat het Zorgkantoor pas in beroep een belangenafweging heeft verricht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank laat, gelet op rechtsoverweging 6.9 en 6.10, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de terugvordering van het teveel uitbetaalde pgb in stand blijft.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Zorgkantoor het griffierecht aan eisers vergoeden. Er is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het Zorgkantoor het griffierecht van € 51,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 9 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
Artikel 4:57
1. Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.
Wet langdurige zorg
Artikel 3.3.1
1. De verzekerde die recht heeft op zorg, kan ervoor kiezen om zijn recht tot gelding te brengen met zorg in natura, bestaande uit zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel a, of een modulair pakket thuis als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, dan wel met een persoonsgebonden budget. De verzekerde kan tevens kiezen om zijn recht tot gelding te brengen met een modulair pakket thuis in combinatie met een persoonsgebonden budget.
Artikel 3.3.3
1. Het zorgkantoor verleent op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het vierde en vijfde lid alsmede andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, een persoonsgebonden budget waarmee de verzekerde, in plaats van zorg in natura te ontvangen, zelf betalingen doet voor zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, b, f of g en andere huishoudelijke hulp dan het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde. De verzekerde ziet af van het recht op verblijf en van de daarmee gepaard gaande voorziening, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede van de behandeling, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d.
Regeling langdurige zorg
Artikel 5.20
1. Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in:
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet;
Artikel 5.21
1. Na afloop van iedere subsidieperiode wordt de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.
2. Het zorgkantoor stelt het persoonsgebonden budget binnen een half jaar na afloop van de subsidieperiode vast.
Artikel 5.16
6. Een wijziging van een goedgekeurde zorgovereenkomst wordt onmiddellijk met een formulier aan de Sociale verzekeringsbank kenbaar gemaakt door middel van invulling van een daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld modelformulier.
Artikel 5.18
1. Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:
c. de verzekerde past een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving onverwijld aan indien van enige verandering in de daarin opgenomen feiten sprake is;

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 12 december 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2401) en 26 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2653)