Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 december 2020 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, geboren in 1994, had een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ontving een pgb voor 2018 en 2019. Het zorgkantoor heeft het pgb ingetrokken en teruggevorderd omdat niet kon worden vastgesteld dat het pgb uitsluitend is gebruikt voor kwalitatief verantwoorde zorg en omdat zorg is betaald die niet is geleverd.
De rechtbank had het besluit van het zorgkantoor vernietigd, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad vult zijn eerdere uitspraak aan voor situaties waarin gekozen is voor periodieke maandbetalingen in plaats van declaraties. Hierbij gelden aangepaste administratieve verplichtingen en controles.
De Raad stelt vast dat betrokkene en de zorgverlener onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven over de feitelijke zorgverlening, dat de zorgverlener regelmatig afwezig was en dat betalingen aan anderen dan de zorgverlener zijn gedaan. Hierdoor was het zorgkantoor bevoegd en gerechtvaardigd om het pgb in te trekken en terug te vorderen.
De belangenafweging door het zorgkantoor was zorgvuldig en de nadelige gevolgen voor betrokkene niet onevenredig. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen en het beroep van het zorgkantoor wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het zorgkantoor mocht het pgb voor 2018 en 2019 intrekken en het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderen.