Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5151

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/2947
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:51b AwbArt. 5 Wet WIAArt. 56 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bij beëindiging WIA-uitkering

Eiser, werkzaam als leerplichtconsulent, viel in januari 2020 uit wegens psychische klachten en vroeg in oktober 2021 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem in januari 2022 een WIA-uitkering toe, die in oktober 2023 werd gewijzigd van loongerelateerd naar loonaanvullend. In april 2024 beëindigde het UWV de uitkering omdat eiser meer dan 65% van zijn loon verdiende. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit van april 2025 dat zijn uitkering per november 2024 zou eindigen vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd, waarbij rekening werd gehouden met zowel psychische als fysieke beperkingen. Eiser voerde aan dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen, maar de rechtbank verwierp dit en vond geen aanleiding voor een onafhankelijke deskundige.

Wel constateerde de rechtbank dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd of onderzocht of de functie van administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank geschikt was voor eiser, met name vanwege de eis van beheersing van de Engelse taal. De tegenstrijdige verklaringen van werkgevers en het ontbreken van een degelijke onderbouwing leidden tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid deze gebreken binnen acht weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak. Het UWV moet binnen twee weken melden of het gebruik maakt van deze herstelmogelijkheid.

Uitkomst: De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid de motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken in het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering te herstellen en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2947 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. S. Atceken-Ata),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (UWV; kantoor [locatie] ), verweerder.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kent en stelt het UWV in de gelegenheid deze gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als leerplichtconsulent/RMC trajectbegeleider bij [werkgever] . Voor dat werk is hij op 21 januari 2020 uitgevallen vanwege belemmerende gezondheidsklachten
,waaronder psychische klachten.
Eiser heeft op 22 oktober 2021 een WIA-uitkering aangevraagd.
2.1.
Het UWV heeft per 18 januari 2022 (104 weken na de eerste ziektedag) aan eiser een WIA-uitkering toegekend.
2.2.
Met het besluit van 16 oktober 2023 heeft het UWV eisers WIA-uitkering gewijzigd van een loongerelateerde uitkering naar een loonaanvullingsuitkering. De hoogte van de uitkering is hierbij hetzelfde gebleven.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 11 april 2024 (primair besluit) de WIA-uitkering van eiser beëindigd met ingang van 12 juni 2024, omdat eiser al een jaar lang meer dan 65% verdient van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
In het voornemen van 13 september 2024 heeft het UWV overwogen dat eisers WIA-uitkering zal worden beëindigd per 14 november 2024, in plaats van 12 juni 2024.
Met het bestreden besluit van 14 april 2025 heeft het UWV overwogen dat eiser vanaf 14 november 2024 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, en namens het UWV [persoon] .
3.4.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 12 juni 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat door de arbeidsdeskundige is aangegeven dat het werk dat eiser feitelijk uitvoert niet passend is voor hem, ten opzichte van zijn belastbaarheid, maar door diezelfde arbeidsdeskundige is overwogen dat er voorbeeldfuncties geduid kunnen worden die wel passen bij de belastbaarheid van eiser, heeft het UWV op 13 september 2024 het voornemen geuit (de grondslag van) het primaire besluit te wijzigen [1] . Omdat de beëindiging van de uitkering niet eerder plaatsvindt dan twee maanden en één dag na dit voornemen, heeft het UWV overwogen dat eiser met ingang van 14 november 2024 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en heeft eiser aansluitend aan de hoorzitting gezien op het spreekuur van 24 maart 2025 waar een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Omdat er voldoende informatie in het dossier aanwezig is om een inhoudelijke verzekeringsgeneeskundige heroverweging te kunnen maken, is er geen nadere medische informatie opgevraagd.
De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat de primaire verzekeringsarts er terecht vanuit is gegaan dat eiser benutbare mogelijkheden heeft. Eiser voldoet namelijk niet aan de criteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten om aan te nemen dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft.
Eiser heeft een recidiverende depressieve stoornis. Ten tijde van datum in geding, 14 november 2024, is er sprake van een stabiel beeld met aanhoudende klachten bij een onderhoudende stressfactor, de gezondheidssituatie van zijn zoon. Hoewel eiser een toename van mentale klachten en belemmeringen ervaart, zijn er geen medische bevindingen die een verandering doen veronderstellen. De primair verkregen onderzoeksbevindingen omtrent de psychische problematiek komen overeen met de onderzoeksbevindingen zoals verkregen ten tijde van de WIA-beoordeling in 2022 (met een bezwaarfase in 2023). Ondanks eerdere adviezen van zijn behandelaren, heeft eiser afgezien van behandeling. De dag invulling en maatschappelijke participatie lijken verbeterd. Hij is gestart met werkzaamheden en blijkt hierbij een relevante bijdrage te leveren, hetgeen een verergering van het medisch toestandsbeeld onaannemelijk maakt. Er worden geen argumenten gezien tot aanvullende beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren.
Eiser is in staat (bij de primaire beoordeling voor 45 minuten en bij de beoordeling in bezwaar voor 70 minuten) een gesprek te voeren en deze adequaat te begrijpen. Ook is eiser ten tijde van de data in geding werkzaam als jeugdwerker. Deze zaken pleiten tegen een ernstige stoornis in de aandachtfunctie. Wel is voorstelbaar dat de stemmings- en slaapproblematiek een negatief effect op alertheid tot gevolg kunnen hebben. De door de primair verzekeringsarts gegeven toelichting met betrekking tot concentratie (geen langdurig en/of bovennormale concentratieproblemen) houdt hier afdoende rekening mee.
Er is sprake van toenemende klachten en belemmeringen van positieduizeligheid. Deze worden ondersteund door nieuwe informatie van eisers behandelaar. Bij eiser is sprake van vertigo bij hoofdbewegingen. Snelle, onverwachte en veelvuldige hoofdbewegingen dienen te worden vermeden. Veelvuldig buigen, bukken en hurken is niet wenselijk. Het geheel vermijden van deze bewegingen is niet aangewezen, wel moeten bewegingen in een langzaam tempo verricht kunnen worden. Het is aannemelijk dat deze genoemde vertigo klachten een negatief effect op alertheid met zich mee kunnen brengen. Om die reden is het niet verantwoord om beroepsmatig gevaarlijke machines te besturen of werkzaamheden met valrisico uit te voeren.
Er is een toename van knieklachten rechts, wat in lijn is met de bevindingen ten tijde van het primaire onderzoek. Vanwege de knieproblematiek worden ten tijde van de datum in geding aanvullende beperkingen aangenomen ten aanzien van forse kniebelasting (beperkingen ten aanzien van zaken als langdurig lopen en veelvuldig traplopen en knielen/hurken). Er wordt geen medische informatie ingebracht waaruit nieuwe dan wel verdergaande medische problematiek aan de rechterarm blijkt, om die reden worden er geen aanvullende beperkingen ten aanzien van de functie van eisers rechterarm gezien.
De verzekeringsarts b&b volgt het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat er geen aanleiding in eisers medische situatie is die een urenbeperking op grond van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid rechtvaardigt. Er wordt geen energetische indicatie gezien, er zijn namelijk rondom de datum in geding geen medische aandoeningen die een tekort aan energie, een te groot energieverbruik dan wel een noodzaak tot verhoogde recuperatie veronderstellen. De verwachting is daarom dat de recuperatiebehoeften (van een uur per dag) niet langer noodzakelijk zullen zijn indien eiser passende werkzaamheden gaat verrichten. Er is immers geen aandoening die gepaard gaat met een patroon van overschrijding van eigen grenzen met recidief of toename van symptomen, zelfoverschatting of beperkt ziektebeeld. Ook is ten tijde van de datum in geding geen sprake van verminderde beschikbaarheid voor arbeid.
De beperkingen en belastbaarheid van eiser zijn door de verzekeringsarts b&b neergelegd in de FML van 24 maart 2025.
7.2.
Eiser heeft aangevoerd dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van zijn psychische klachten. Ten tijde van de datum in geding was de door de psycholoog bij [zorgorganisatie] vastgestelde depressieve stoornis: recidiverende episode aanwezig en dit had invloed op zijn arbeidsongeschiktheid. De depressieve episode kan leiden tot meerdere klachten, zoals concentratieproblemen, gebrek aan plezier, gebrek aan energie, niet goed slapen en erg vermoeid zijn. Ten onrechte wordt dan ook gesteld dat eiser zich een half uur kan richten op één informatiebron. Overeenkomstig de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid had een urenbeperking dienen te worden vastgesteld. Daarnaast wordt hij vaak duizelig en angstig. Een functie op hbo- of mbo-niveau is om die reden onrealistisch. Ook heeft hij klachten op het gebied van omgevingsprikkels, structuur en somberheid. Doordat er onvoldoende dan wel geen verderstrekkende beperkingen zijn opgenomen in de FML voldoet deze niet. De door de arbeidsdeskundige geduide functies dienen aangepast te worden aan een herziene FML. De drie geduide functies overtreffen de belastbaarheid van eiser en dienen te worden verworpen. Het had op de weg van de verzekeringsarts b&b gelegen om nadere informatie op te vragen bij met name eisers fysiotherapeut dan wel psycholoog. Eiser heeft ter zitting de beroepsgrond dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden verlaten.
Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoet verder niet aan de kwaliteitseisen nu de redeneringen en conclusies gezien de fysieke en mentale beperkingen met elkaar in tegenspraak zijn. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het verzekeringsgeneeskundig rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat de rapportage een onjuiste beoordeling bevat. Eiser verzoekt subsidiair een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.
7.3.
De verzekeringsarts b&b heeft in beroep gereageerd op de beroepsgronden van eiser. De beroepsgronden vormen voor de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de belastbaarheid van eiser. De brief van [zorgorganisatie] bevestigt het psychische beeld van een depressieve stoornis dat in bezwaar reeds naar voren kwam en is meegenomen tijdens de heroverweging. De toelichting op de ervaren psychische klachten en de belemmeringen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren ten tijde van de datum in geding bevat geen nieuwe informatie waardoor dit niet leidt tot een ander inzicht.
Er is geen aanleiding om aanvullende medische informatie bij de psycholoog op te vragen. Rondom eisers behandelingsperiode is uitgebreide correspondentie aanwezig over zijn psychische problematiek. Ten tijde van de datum in geding vond geen psychologische of medicamenteuze behandeling plaats, waardoor behandelaren niet op de hoogte waren van zijn actuele medische situatie en hierover geen informatie kunnen verstrekken. Wat betreft de fysieke problematiek wordt er ook geen reden gezien om aanvullende medische informatie op te vragen. Eiser heeft in bezwaar informatie ingebracht waaruit de duizeligheidsklachten duidelijk worden en informatie van een sportfysiotherapeut is aanwezig waaruit het geheel aan lichamelijke problematiek blijkt. Tijdens het spreekuur in bezwaar bleek dat eiser is afwachting van een afspraak was voor specialistisch onderzoek van de knie via orthopedie, waardoor het opvragen van informatie niet zinvol werd geacht. Vervolgens is door eiser aangegeven zich te kunnen vinden in het afzien van het opvragen van nadere informatie van de behandelaars. De toelichting op de lichamelijke problematiek en de omschrijving van de door eiser ervaren fysieke klachten en belemmeringen leveren geen nieuwe medische inzichten op. Verdergaande beperkingen, zoals het volledig vermijden van lichamelijke activiteit, zijn vanuit medisch oogpunt niet wenselijk. Uit correspondentie van de behandelaren blijkt dat fysieke rehabilitatie oefeningen als onderdeel van behandeling worden geadviseerd.
Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er geen nieuwe medische informatie naar voren is gekomen die een urenbeperking rechtvaardigt. Het geheel aan medische problematiek, ervaren klachten en belemmeringen werden reeds in bezwaar betrokken. Een adequate daginvulling is wenselijk voor eiser. De verwachting is dat een zinvolle dagbesteding, rekening houdend met de aangegeven beperkingen, leidt tot een gunstig effect op de psychische klachten en slaapproblematiek, en door een bijdragend gunstig effect op spierconditie- en kracht ook op lichamelijke klachten.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er heeft een hoorzitting en spreekuur plaatsgevonden waarbij zowel lichamelijk als psychisch onderzoek door de verzekeringsarts b&b is verricht. Ook zijn de dossiergegevens bestudeerd en is er kennisgenomen van het bezwaarschrift en aanvullingen daarvan. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder knie- en armklachten, psychische klachten en concentratie- en vermoeidheidsklachten. Anders dan eiser heeft gesteld, heeft de verzekeringsarts b&b geen aanleiding hoeven zien om aanvullende medische gegevens op te vragen bij de behandeld sector. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een verzekeringsarts b&b op zijn eigen oordeel kan afgaan bij het vaststellen van beperkingen. [2] De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er met eigen onderzoek en de in het dossier aanwezige informatie voldoende gegevens voorhanden waren om een weloverwogen oordeel te geven. Eiser had zelf ook de mogelijkheid om in bezwaar of in beroep nadere aanvullende medische informatie van de fysiotherapeut of psycholoog in te dienen, maar heeft dit niet gedaan. [3] Daarbij stond eiser ten tijde van de datum in geding niet onder behandeling en gaf hij aan zich erin te kunnen vinden geen nadere informatie bij behandelaars op te vragen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b geen beperkingen hoeven aannemen wat betreft concentratie. De verzekeringsarts b&b heeft daartoe kunnen overwegen dat eiser in staat is een langdurig gesprek te voeren en adequaat te reageren en te begrijpen. Met het negatieve effect dat de stemmings- en slaapproblematiek op alertheid kan hebben is voldoende rekening gehouden. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd dat op grond van de Standaard Duurbelasting geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking.
Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de subjectieve beleving niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen, maar zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen van belang. [4]
De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts b&b heeft vastgesteld. Niet gebleken is dat in de FML van 24 maart 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, een onafhankelijke deskundige te benoemen. Gelet op het voorstaande is het onderzoek door de verzekeringsarts b&b namelijk zorgvuldig geweest en heeft eiser geen twijfel gezaaid over de juistheid van de medische beoordeling.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: archiefmedewerker (SBC-code 315132), administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Ook is als reservefunctie geduid: archiefmedewerker (SBC-code 553020).
8.1.
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat de toelichting waaruit blijkt dat de geselecteerde functies gezien zijn beperkingen geschikt zouden zijn ontbreekt dan wel onvoldoende is. De functie archiefmedewerker is ongeschikt, omdat de functie frequent reiken naar archiefkasten, langdurig staan en lopen, het tillen/dragen van archiefmateriaal en doorgaans een nauwkeurige en langdurige concentratie vereist. De functie administratief medewerker overschrijdt eisers beperkingen. Deze functie vereist in de praktijk dat eiser accuraat werkt onder tijdsdruk, regelmatige deadlines bewaakt en klantcontact houdt. Ook vraagt de functie een hoge mate van concentratie, stressbestendigheid en flexibiliteit. Voorts is beheersing van de Engelse taal in woord en geschrift een eis. Eiser is de Engelse taal niet machtig. De functie van productiemedewerker industrie overschrijdt ook eisers beperkingen. Deze functie vereist dat eiser vaak moet staan, reiken en tillen, een strak tempo en deadlines, jaarlijkse trainingen. Eiser kan daarnaast niet met gevaarlijke machines werken. In deze functie is er brandgevaar en prik- of snijgevaar. Verder meent eiser dat functie niet geschikt is omdat zijn geheugen onvoldoende zou zijn om kleine componenten in elkaar te zetten.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat in de functie administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) beheersing van de Engelse taal in woord en geschrift een eis is. Uit het onderzoeksrapport van de primaire arbeidsdeskundige blijkt dat eiser een slecht niveau Engels heeft. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b blijkt niet dat dit bij de beoordeling van de geschiktheid van deze functie is betrokken. Hierdoor lijdt het bestreden besluit aan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
8.3.
Om het UWV in staat te stellen deze gebreken te herstellen heeft de rechtbank via een brief aan het UWV gevraagd alsnog hierover een standpunt in te nemen.
Het UWV heeft hierop gereageerd met de rapportage van de arbeidsdeskundige b&b. De arbeidsdeskundige b&b heeft telefonisch contact gehad met de ex-werkgever, P&O medewerker van de [werkgever] . Ook is er telefonisch contact geweest met de huidige werkgever, manager van eiser bij [huidige werkgever] .
De ex-werkgever gaf hierin aan dat er tijdens gesprekken met de ouders van de leerlingen wel eens in de Engelse taal gesproken moest worden, omdat niet alle ouders de Nederlandse taal machtig zijn. Daarnaast gaf de huidige werkgever aan dat eiser op dit moment werkt als jeugdwerker bij het [huidige werkgever] en dat hier jongeren (tussen de 15 en 18 jaar) zitten die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Met deze jongeren wordt dan vaak in het Engels of Turks (de taal die eiser zelf beheerst) een gesprek gevoerd. De huidige werkgever geeft aan nog nooit gehoord te hebben dat eiser niet de Engelse taal met deze jongeren kan voeren.
Daarnaast is eiser hoog opgeleid waardoor de arbeidsdeskundige b&b verwacht dat de Engelse terminologie binnen deze functie snel door hem kan worden opgepakt. Tevens neemt eiser zelf contact op met de kredietnemers en gaat het over routinematige vragen die er gesteld kunnen worden. Voorbereiding voor het stellen van vragen is daarbij mogelijk.
8.4.
Eiser stelt zich ter zitting op het standpunt dat hij tijdens zijn (voormalige) werkzaamheden geen gesprekken in het Engels voert/voerde. Bij zijn ex-werkgever werden er geen gesprekken met de ouders gevoerd, maar met de Nederlandse kinderen op Nederlandse scholen. Er is één keer een gesprek met Marokkaanse ouders geweest waarbij er gebruik is gemaakt van een tolkentelefoon. Bij zijn huidige werk zijn de jongeren afkomstig uit Afghanistan en Syrië, en zij spreken geen Engels. Bij gesprekken wordt er daarom standaard gewerkt met een tolkentelefoon. De managers zijn bij deze gesprekken niet standaard aanwezig.
Daarnaast heeft eiser 40 jaar geleden een hbo-opleiding in Nederland en Turkije gevolgd, maar daarvan maakte Engels geen onderdeel uit. Eiser is niet meer de jongste waardoor kan worden afgevraagd of er nog wat te leren valt in een vreemde taal.
8.5.
De rechtbank stelt vast dat de door het UWV en eiser ingenomen standpunten met elkaar in tegenspraak zijn. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige blijkt niet hoe de ex-werkgever weet dat er tijdens de gesprekken wel eens Engels gesproken werd en waar dat op wordt gebaseerd. Ook door de huidige werkgever is dit onvoldoende onderbouwd en is niet duidelijk waar de manager dit op baseert, mede in het licht dat volgens eiser de managers niet bij de gesprekken aanwezig zijn.
Daarnaast kunnen in de functie administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank de vragen die worden gesteld aan de kredietnemers wellicht worden voorbereid, maar dat geldt niet voor de antwoorden die vervolgens worden gegeven en een eventuele reactie daarop.
De rechtbank concludeert dan ook dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd en onderzocht of eiser aan de functie-eis van de Engelse taal in woord en geschrift kan voldoen. Het UWV heeft in beroep dan ook de gebreken onvoldoende hersteld met de nadere rapportage van de arbeidsdeskundige b&b.

Conclusie en gevolgen

9. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet het UWV nader onderzoeken of de functie van administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) wel geschikt is voor eiser en zo nee, welke gevolgen dit heeft voor het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
10. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
  • stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier, op 11 juni 2026 en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage wettelijk kader

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 5
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 56
1. Het recht op een WGA-uitkering eindigt op de dag dat:
a. de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; of
b. er op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 2°, d, e, f, g, h of i van toepassing is;
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.
3. In afwijking van het tweede lid, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 2 lid Pro 5
Benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid zijn alleen dan niet aanwezig indien:
betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die zorg verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet langdurige zorg, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;
betrokkene bedlegerig is;
betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of
betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.

Voetnoten

1.De wettelijke grondslag voor de beslissing is gewijzigd van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA naar artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB van 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1524.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1908.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB van 24 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1510.