ECLI:NL:RBZWB:2026:530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25/2338
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek aanwijzing voormalig gemeentehuis als gemeentelijk monument niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid

Eiseres diende op 2 augustus 2024 een verzoek in om het voormalig gemeentehuis van een woonplaats aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed en/of gemeentelijk monument. Het college wees dit verzoek op 19 november 2024 af. Eiseres maakte bezwaar, maar het college verklaarde dit bezwaar op 11 maart 2025 niet-ontvankelijk. Hiertegen stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank beperkte zich tot de ontvankelijkheid van het bezwaar, omdat het college het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De kernvraag was of eiseres ten tijde van het verzoek belanghebbende was. De rechtbank oordeelde dat eiseres toen nog geen rechtspersoon was en niet herkenbaar was in het rechtsverkeer, omdat zij geen bestuur, statuten of reglement had en zich niet als eenheid naar buiten had gepresenteerd.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en concludeerde dat eiseres niet voldeed aan de eis van herkenbaarheid in het rechtsverkeer. Hierdoor was het verzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, en hoefde het college het verzoek niet in behandeling te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat zij ten tijde van het verzoek geen belanghebbende was en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2338

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 (het bestreden besluit), waarbij het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres was ten tijde van haar verzoek om het voormalig gemeentehuis van [woonplaats] , gelegen aan de [adres] , aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed en/of gemeentelijk monument namelijk geen belanghebbende. Ze voldeed niet aan de eis van herkenbaarheid in het rechtsverkeer. Om deze reden is het verzoek van eiseres niet aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college hoeft het verzoek dus niet in behandeling te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 2 augustus 2024 een verzoek ingediend bij het college om het voormalig gemeentehuis van [woonplaats] , gelegen aan de [adres] , aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed en/of gemeentelijk monument.
3.1.
Het college heeft op 19 november 2024 besloten het verzoek af te wijzen (het primaire besluit).
3.2.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
3.3.
Het college heeft op 11 maart 2025 in het bestreden besluit, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).
3.4.
Eiseres heeft hier op 15 april 2025 beroep tegen ingesteld.
3.5.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben aan de kant van eiseres deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Namens het college waren mr. K. de Klepper en [vertegenwoordiger] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
4. Aangezien het college het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard, blijft de omvang van het geding beperkt tot de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. De rechtbank gaat dus in deze uitspraak niet in op inhoudelijke beroepsgronden.
Belanghebbendheid
5. De vraag die in deze zaak voorligt is of eiseres belanghebbend was ten tijde van het verzoek van 2 augustus 2024. Alleen als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om een besluit te nemen, is dat verzoek een aanvraag waarop het college moet beslissen. [1] Als de verzoeker geen belanghebbende is, dan is zijn verzoek dus geen aanvraag. Een negatief antwoord op een verzoek om een besluit afkomstig van een niet-belanghebbende is niet alleen geen beschikking, maar ook geen besluit. [2] Het gevolg daarvan is dat een beroep of bezwaar van een verzoeker-niet-belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.1.
Eiseres is op 1 maart 2025 een vereniging geworden. Dit betekent dat eiseres ten tijde van het verzoek nog geen rechtspersoon was. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen, maar kunnen ook andere entiteiten als belanghebbende worden aangemerkt. Gelet op de woorden "degene wiens" in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt aan deze andere entiteiten de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer. Ook voor deze entiteiten geldt dat zij een eigen, rechtstreeks bij het besluit betrokken belang moeten hebben, om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. [3]
De eis van herkenbaarheid in het rechtsverkeer
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres als entiteit ten tijde van het verzoek niet herkenbaar was in het rechtsverkeer. Tot dit oordeel komt de rechtbank op basis van de volgende omstandigheden. Ten tijde van de aanvraag beschikte eiseres niet over een bestuur en ook niet over statuten of een reglement. Dit heeft eiseres op zitting bevestigd.
Ook stelt de rechtbank vast dat eiseres zich voorafgaand aan het verzoek niet naar buiten toe als eenheid heeft gepresenteerd. Zo had (en heeft) eiseres geen eigen website, enkel een eigen e-mailadres. Daarnaast bezochten leden van eiseres weliswaar participatiebijeenkomsten van de gemeente, alleen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de leden daar optraden namens eiseres. Verder acht de rechtbank van belang dat alle brieven van het college in deze procedure steeds gericht zijn aan de individuele leden van eiseres en niet aan eiseres zelf. Op zitting heeft het college bovendien verklaard dat het enkel met de heer [naam 2] contact heeft gehad. De heer [naam 2] heeft desgevraagd bevestigd dat hij in de beginfase vooral zelf als privépersoon contact heeft gehad met de gemeente. Het college heeft als antwoord hierop gesteld dat het contact altijd bij [naam 2] gebleven is. Eiseres heeft daar niets tegen ingebracht. Het college betwist verder niet dat eiseres artikelen in het [naam 4] heeft gepubliceerd. Dit alleen acht de rechtbank echter onvoldoende om in het rechtsverkeer als entiteit herkenbaar te zijn. De enkele stelling dat eiseres e-mails heeft gestuurd naar haar achterban heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. [4]
5.3.
Dat [stichting] volgens de Afdeling in de door eiseres aangehaalde uitspraak van 24 augustus 2011 [5] wel voldeed aan de eis van herkenbaarheid in het rechtsverkeer, maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders. In die zaak mengde [stichting] zich pas in de beroepsfase van de bestuursrechtelijke procedure. Hoewel [stichting] pas na het instellen van het beroep een rechtspersoon was geworden, was de Afdeling van oordeel dat [stichting] ten tijde van het instellen van het beroep wel voldeed aan de eis van herkenbaarheid in het rechtsverkeer, omdat op dat moment al duidelijk was door wie en met welk doel [stichting] zou worden opgericht en wie zitting zou gaan nemen in haar bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de vergelijking tussen eiseres en [stichting] niet op, omdat tussen het verzoek van eiseres en de oprichting van eiseres als vereniging veel meer tijd zat. Eiseres is pas bijna zeven maanden nadat ze het verzoek had ingediend een rechtspersoon geworden.
5.4.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de vergelijking met de [vereniging] in de eveneens door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 [6] mank gaat. In deze uitspraak heeft de Afdeling de belanghebbendheid van [vereniging] beoordeeld aan de hand van het toetsingskader voor de belanghebbendheid van een rechtspersoon. Dat is niet hetzelfde toetsingskader aan de hand waarvan de rechtbank de belanghebbendheid van eiseres moet beoordelen. De rechtbank heeft in deze zaak de belanghebbendheid van eiseres op het moment van de aanvraag beoordeeld. Op dat moment was eiseres nog geen rechtspersoon.
5.5.
Omdat eiseres gelet op het bovenstaande op het moment van de aanvraag niet voldeed aan de eis van herkenbaarheid als entititeit in het rechtsverkeer, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiseres een eigen, rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres voldeed ten tijde van het verzoek als entiteit niet aan de eis van herkenbaarheid in het rechtsverkeer. Eiseres was dus destijds geen belanghebbende. Het verzoek van eiseres kan dus niet worden aangemerkt als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, op 29 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
2.Artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1399; de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1439 & de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1144.
5.Zie de uitspraak van de Afdeing van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5687.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3702.