Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5318

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/11164
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding na bezwaar

Belanghebbende deed aangifte voor BPM op een Cadillac ATS Coupé en betaalde € 5.974. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op van € 11.373, later verminderd tot € 5.242 na bezwaar. Belanghebbende voerde aan dat de taxatiemethode moest worden toegepast vanwege meer dan normale gebruiksschade, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt. De koerslijstmethode werd eveneens niet gevolgd omdat de gebruikte koerslijsten niet consistent waren.

De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet te hoog is. Wel werd de kostenvergoeding voor de bezwaarfase verhoogd van € 592 naar € 1.332, en werd een vergoeding voor de beroepsfase van € 934 toegekend, totaal € 2.266. Daarnaast kreeg belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 14 maanden.

De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoedingen en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht van € 184 moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM blijft in stand, maar de kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding worden verhoogd en toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11164

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.399 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 22 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.242 en de belastingrente tot € 21. De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. De kostenvergoeding in bezwaar is te laag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 22 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Cadillac ATS Coupé 3.6 V-series met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.974.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 11.373 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
3.3.
Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 132.800 en een handelsinkoopwaarde van € 27.474 uit de koerslijst Eurotax van de taxateur van belanghebbende. Hij heeft de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 11.216 en de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.242.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar zijn taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de auto vijfenhalf jaar oud is en 40.420 km heeft gereden. Van de facturen die belanghebbende in beroep heeft overgelegd is de rechtbank niet duidelijk of die op de auto zien en of deze zien op de reparatie van schade. Het zou ook kunnen gaan om een upgrade van de auto. In de schadecalculatie van het taxatierapport is geen schade aan de uitlaat of remote tune vermeld. Deze schade kan dan, voor zover daar al sprake van is, niet alsnog worden toegevoegd. [2]
4.3.
Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Koerslijstmethode
4.4.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst Eurotax kan worden gevolgd zoals die bij de aangifte is gevoegd. Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 27.474 bedraagt. Voor de historische nieuwprijs sluit belanghebbende aan bij de koerslijst van AutotelexPro die bij het rapport van DRZ is gevoegd, met dien verstande dat bij de opbouw rekening moet worden gehouden met het bedrag aan historische bruto Bpm van 2017 en niet 2015. De inspecteur betwist dat koerslijstmethode kan worden gevolgd. De koerslijst Eurotax is volgens hem een prognose en de auto heeft meer opties en een andere uitvoering dan de referentieauto in de koerslijst Eurotax. Volgens de inspecteur dient de afschrijving daarom te worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar is uitgegaan van zowel de historische nieuwprijs als de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst Eurotax van de taxateur van belanghebbende. De enige andere koerslijst in het dossier betreft de koerslijst AutotelexPro bij het rapport van DRZ, maar die koerslijst vermeldt geen handelsinkoopwaarde. Deze koerslijst kan daarom niet worden gebruikt. Immers bij toepassing van de koerslijstmethode moeten de waarden uit één koerslijst worden gebruikt. Alleen daarom al slaagt het standpunt van belanghebbende niet.
4.6.
Ook in het geval moet worden geconcludeerd dat de auto van dit merk, type, leeftijd en uitvoering niet voorkomt op de koerslijst en dus mogelijk de taxatiemethode kan worden toegepast, leidt dit niet tot een vermindering van de naheffingsaanslag. In dat kader is relevant dat AutotelexPro uitgaat van een Premium uitvoering en Eurotax niet. Het is daarom niet logisch om de historische nieuwprijs te baseren op de koerslijst AutotelexPro en voor de handelsinkoopwaarde uit te gaan van de koerslijst Eurotax zonder dat correcties worden gemaakt. Nog daargelaten dat belanghebbende betoogt dat de auto geen Premium betreft, maar daarop wel de historische nieuwprijs wil baseren. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aankoopprijs van € 40.000 en de exclusiviteit van de auto een indicatie is dat een handelsinkoopwaarde van € 27.474 te laag is. Bij gebrek aan overige gegevens is niet aannemelijk geworden dat de historische nieuwprijs moet worden verhoogd dan wel de handelsinkoopwaarde op een zodanig lager bedrag moet worden vastgesteld dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm leidt.
4.7.
De naheffingsaanslag is daarom niet tot een hoog bedrag opgelegd. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur niet mag terugkomen op de door hem op basis van de koerslijst vastgestelde handelsinkoopwaarde kan belanghebbende niet baten omdat de naheffingsaanslag is opgelegd uitgaande van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van zijn taxateur.
Kostenvergoeding bezwaarfase
4.8.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 [3] en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. De inspecteur heeft dat op zitting erkend. De rechtbank acht dat terecht en zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief.
Vergoeding van immateriële schade
4.9.
Belanghebbende heeft op 27 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 3 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 14 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Dit bedrag komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. De naheffingsaanslag Bpm en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, blijven wel in stand. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934 met een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het gewicht van het punt waarop belanghebbende gelijk heeft gekregen lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel. [4] De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 934 (2 maal € 934 maal 0,5) bedraagt. De totale vergoeding bedraagt daarom € 2.266 (€ 1.332 + € 934).
5.2.
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de beslissing op de kostenvergoeding;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.3.
4.Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.