ECLI:NL:RBZWB:2026:5318
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding na bezwaar
Belanghebbende deed aangifte voor BPM op een Cadillac ATS Coupé en betaalde € 5.974. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op van € 11.373, later verminderd tot € 5.242 na bezwaar. Belanghebbende voerde aan dat de taxatiemethode moest worden toegepast vanwege meer dan normale gebruiksschade, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt. De koerslijstmethode werd eveneens niet gevolgd omdat de gebruikte koerslijsten niet consistent waren.
De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet te hoog is. Wel werd de kostenvergoeding voor de bezwaarfase verhoogd van € 592 naar € 1.332, en werd een vergoeding voor de beroepsfase van € 934 toegekend, totaal € 2.266. Daarnaast kreeg belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 14 maanden.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoedingen en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht van € 184 moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM blijft in stand, maar de kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding worden verhoogd en toegekend.