Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5322

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/12001
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.299 die de inspecteur had opgelegd na een hertaxatie door DRZ. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade had of dat de taxatiemethode of koerslijstmethode tot een lagere aanslag leiden.

De rechtbank weegt mee dat de auto vijf jaar en zeven maanden oud was en ruim 130.000 kilometer had gereden, en dat de foto’s geen zichtbare schade tonen. De door belanghebbende overgelegde koerslijst van XRay is niet betrouwbaar omdat een specificatie van opties ontbreekt en niet alle opties zijn vermeld. De inspecteur heeft een hogere historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde vastgesteld, wat door de rechtbank wordt gevolgd.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een termijnoverschrijding van ongeveer tien maanden en kent een vergoeding van €1.000 toe, die voor rekening van de Staat komt. Tevens worden proceskosten van €233,50 toegekend voor de rechtsbijstand bij dit verzoek.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst de naheffingsaanslag toe, maar veroordeelt de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was ingetreden.

De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12001

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.299 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 27 januari 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi SQ7 4.0 TDI Quattro 7p met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.713.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.012 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s van de motorkap niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds 5 jaar en 7 maanden oud was en 130.907 kilometer had gereden. Verder ziet de rechtbank op de foto’s van de motorkap geen schade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens “geen oordeel km.stand ivm import” geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Koerslijstmethode
4.3.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst van XRay kan worden gevolgd. Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs van de auto € 177.553 [2] bedraagt inclusief opties ter waarde van € 43.570 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 33.220. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat in de koerslijst XRay de opties uit de koerslijst van AutotelexPro zijn overgenomen omdat het toevoegen van opties in AutotelexPro eenvoudiger is dan in XRay. Een specificatie van de opties van koerslijst AutotelexPro is niet overgelegd.
4.4.
De inspecteur heeft betwist dat de auto op koerslijst XRay voorkomt vanwege de grote hoeveelheid opties ten opzichte van de referentieauto. Verder heeft de inspecteur gesteld dat de koerslijst niet correct is ingevuld omdat de auto volgens de VIN-gegevens meer opties heeft dan in de aangifte zijn vermeld en de opties zijn samengevoegd tot een bedrag. De inspecteur gaat uit van een historische nieuwprijs van de auto van € 194.965 inclusief opties ter waarde van € 56.136 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 44.154 en verwijst naar de koerslijst XRay van DRZ.
4.5.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door belanghebbende bepleitte vermindering van de naheffingsaanslag heeft betwist, en het daarom op de weg van belanghebbende ligt om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [3] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren van een historische nieuwprijs en een handelsinkoopwaarde die leiden tot een hoger afschrijvingspercentage van de auto.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opties door haar taxateur op de juiste wijze zijn meegenomen omdat een specificatie daarvan ontbreekt. Bovendien zijn niet alle opties vermeld. De koerslijst van XRay van de taxateur van belanghebbende kan daarom niet worden gebruikt. Ook de koerslijst van XRay van DRZ kan niet worden gebruikt, omdat aannemelijk is dat daarin ten onrechte wordt uitgegaan van een ProLine-uitvoering. Aangezien geen andere koerslijsten zijn overgelegd, kan de rechtbank de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde niet vaststellen. Dit betekent dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld.
4.7.
Voorgaande geldt ook als ervan wordt uitgegaan dat de auto niet voorkomt op de koerslijst en om die reden de taxatiemethode van toepassing zou zijn. Ook dan is onduidelijk op welke wijze met de verschillen van de auto ten opzichte van de referentieauto rekening moet worden gehouden en tot welke historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde dit leidt. In dat geval moet de afschrijving worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Dit leidt niet tot een verlaging van de naheffingsaanslag.
Immateriële schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft op 18 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 augustus 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 10 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000. Dit bedrag komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [4] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [5] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Historische nieuwprijs referentieauto van € 172.499 gecorrigeerd op grond van Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
6.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.