ECLI:NL:RBZWB:2026:5396

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/5322
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.1 OwArt. 13.1.2 planregelsArt. 13.5.4 planregelsArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor nagelstudio in woning met voorschriften en bezwaarprocedure

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor het gebruik van een deel van zijn woning als nagelstudio. Het college verleende de vergunning, maar na bezwaar van omwonenden werd deze vergunning eerst ingetrokken en geweigerd (bestreden besluit I). Eiser stelde beroep in en vroeg een voorlopige voorziening, die werd toegewezen waardoor het besluit werd geschorst.

Vervolgens verving het college het eerste besluit door een nieuw besluit (bestreden besluit II) waarin de vergunning werd verleend met aanvullende voorschriften. Eiser voerde beroep aan tegen beide besluiten. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van procesbelang, maar veroordeelde het college wel tot vergoeding van de kosten van een parkeeronderzoek dat eiser had laten uitvoeren.

Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vond de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijk en noodzakelijk om overlast te voorkomen en een evenwichtige toedeling van functies te waarborgen. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voorschriften te beperkend waren. De rechtbank bevestigde dat omwonenden als belanghebbenden konden worden aangemerkt vanwege hun nabijheid en mogelijke gevolgen van de nagelstudio.

Uitkomst: Beroep tegen eerste besluit niet-ontvankelijk, beroep tegen tweede besluit ongegrond, college veroordeeld tot proceskostenvergoeding parkeeronderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: 25/5323
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Als belanghebbenden nemen aan de zaken deel:
[belanghebbenden 1],
[belanghebbenden 2],
[belanghebbenden 3],
[belanghebbende],
uit [plaats] .

Procesverloop

Eiser heeft op 22 oktober 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 11 september 2025 (bestreden besluit I), over het in bezwaar alsnog weigeren van een omgevingsvergunning voor het gebruiken van ruimtes in een woning aan de [adres] in [plaats] voor een bedrijfsactiviteit. Eiser heeft de voorzieningenrechter op diezelfde dag verzocht om een voorlopige voorziening. [1]
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker was daarbij samen met [persoon 1] aanwezig. Namens het college was [vertegenwoordiger college 1] aanwezig. Daarnaast waren [belanghebbenden 1] , [belanghebbenden 3] aanwezig. In een uitspraak van 24 november 2025 [2] heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de uitspraak in beroep.
Op 11 februari 2026 heeft de rechtbank van het college een nieuwe beslissing op bezwaar van 4 februari 2026 ontvangen (bestreden besluit II). Bestreden besluit II dient ter vervanging van bestreden besluit I. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser tegen bestreden besluit I daarom van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II. Op 11 februari 2026 heeft eiser tegen bestreden besluit II gronden aangevoerd.
In brieven van 12 februari 2026 heeft de rechtbank aan belanghebbenden medegedeeld dat van rechtswege van de zijde van hen beroep was ontstaan tegen bestreden besluit II. [3] De rechtbank heeft hen gevraagd om aan te geven of ze dit beroepen wensten voort te zetten bij de rechtbank en om beroepsgronden in te dienen. Belanghebbenden hebben geen beroepsgronden ingediend tegen bestreden besluit II. De rechtbank heeft partijen in brieven van 8 april 2026 medegedeeld ervan uit te gaan dat belanghebbenden geen beroep wensen in te stellen tegen bestreden besluit II. Zij zijn wel aangemerkt als belanghebbenden bij het beroep van eiser tegen bestreden besluit II.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was daarbij samen met [persoon 1] aanwezig. Namens het college waren [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] aanwezig. Daarnaast waren [belanghebbenden 1] , [belanghebbenden 3] aanwezig.

Beoordeling

1. Feiten
1.1
Eiser is eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het perceel en de woning). De belanghebbenden wonen aan de [straat] in [plaats] .
1.2
Eiser heeft op 2 november 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van ruimtes in het souterrain van de woning voor een bedrijfsactiviteit, namelijk een nagelstudio.
1.3
Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 26 februari 2025 (primair besluit) verleend. De omgevingsvergunning ziet op een omgevingsplanactiviteit. De belanghebbenden hebben daar bezwaar tegen gemaakt.
1.4
Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van de belanghebbenden gegrond verklaard. Het college heeft het primair besluit in dat besluit herroepen en heeft een nieuw besluit genomen dat strekt tot weigering van de omgevingsvergunning.
1.5
Eiser heeft daar op 22 oktober 2025 beroep tegen ingesteld. Op dezelfde dag heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.6
In een uitspraak van 24 november 2024 [4] heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bestreden besluit I geschorst tot zes weken na de uitspraak in het beroep en onder de volgende voorwaarden:
  • in 80 m2 van het souterrain van de woning aan de [adres] mag geen andere bedrijfsactiviteit dan nagelsalon ‘ [nagelsalon] ’ worden geëxploiteerd;
  • de nagelsalon heeft maximaal vier manicuretafels en twee pedicurestoelen;
  • de nagelsalon mag uitsluitend zijn geopend gedurende de volgende openingstijden: maandag tot en met vrijdag van 09:00 – 22:00 uur en op zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur;
  • de nagelsalon moet zich actief inspannen om te bewerkstelligen dat bezoekers en werknemers zoveel als mogelijk op de op eigen terrein gerealiseerde parkeerplaatsen parkeren.
1.7
Bij bestreden besluit II heeft het college bestreden besluit I vervangen door een nieuwe beslissing op het bezwaar van de derde partijen. Het college heeft het bezwaar van de derde partijen alsnog ongegrond verklaard. Het college heeft besloten om het primair besluit – onder aanvulling van de motivering en met het verbinden van vergunningvoorschriften aan de omgevingsvergunning – in stand te laten.
2. Wettelijk kader
2.1
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.2
In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow onder andere gedefinieerd als een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan.
2.3
De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. [5] Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties. [6] Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Tilburg onder andere uit ‘een tijdelijk deel’. [7] Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat) [8] , die zijn opgenomen in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Het tijdelijk deel wordt daarnaast gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 van toepassing was op het perceel. [9] Dit was het [bestemmingsplan] . Daaruit blijkt dat aan het perceel de functie ‘Wonen’ is toegekend.
2.4
Uit het [bestemmingsplan] ’ blijkt dat aan het perceel de functie ‘Wonen’ is toegekend. In artikel 13.1.2, onder g, van de planregels staat dat ‘een beroepsmatige activiteit als een aan huis verbonden beroep’ binnen die functie is toegestaan. In de planregels wordt een ‘beroepsmatige activiteit in een woning’ gedefinieerd als: “een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig en ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied”. [10]
2.5
In artikel 13.5.4 van de planregels [11] staat dat het college vrijstelling kan verlenen voor de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit (voor o.a. een schoonheidsinstituut [12] ) in een woning, met dien verstande dat:
de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving;
geen vrijstelling wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke onder de werking van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1993, 50) valt, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is;
geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen;
op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt.
voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers;
geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen.
maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80 m2.
3. De besluiten
3.1
In het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend voor het in strijd met het omgevingsplan gebruiken van een deel van de woning voor een bedrijfsactiviteit (nagelsalon). Het college heeft toestemming verleend op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 13.5.4 van de planregels.
3.2
Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van de belanghebbenden gegrond verklaard. Het college heeft het primair besluit herroepen en heeft een nieuw besluit genomen dat strekt tot weigering van de omgevingsvergunning.
3.3
Bij bestreden besluit II heeft het college bestreden besluit I vervangen door een nieuwe beslissing op het bezwaar van de derde partijen. Het college heeft het bezwaar van de derde partijen ongegrond verklaard. Het college heeft besloten om het primair besluit – onder aanvulling van de motivering en met het verbinden van vergunningvoorschriften aan de omgevingsvergunning – in stand te laten.
4. Belanghebbenden
4.1
Eiser heeft aangevoerd dat het college het bezwaar van de belanghebbenden ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Eiser stelt dat zij geen belanghebbenden zijn bij de besluiten.
4.2
De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van belanghebbenden terecht ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het primaire besluit.
4.3
Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij een omgevingsrechtelijk besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt in vaste rechtspraak van de Afdeling [13] gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de omwonenden die bezwaar hebben gemaakt kunnen aanmerken als belanghebbende bij het primair besluit. De woningen van deze omwonenden grenzen aan of zijn gelegen binnen 100 meter van het perceel van eiser. Uit het parkeeronderzoek blijkt daarnaast dat bezoekers van de nagelsalon binnen een straal van 150 meter rondom de nagelsalon parkeren. Onder die omstandigheden heeft het college aannemelijk kunnen achten dat de omwonenden gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van het primaire besluit. Om diezelfde reden zijn de omwonenden in deze beroepsprocedure ook aangemerkt als belanghebbenden bij bestreden besluit I en bestreden besluit II.
5. Beroep tegen bestreden besluit I
5.1
Bij bestreden besluit II heeft het college besloten tot vervanging van bestreden besluit I. Meer specifiek heeft het college besloten om de weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning te vervangen door het verlenen van een omgevingsvergunning met voorschriften.
5.2
Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit I, omdat hij kosten heeft moeten maken voor rechtsbijstand en een parkeeronderzoek.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat eiser gelet op de vervanging van bestreden besluit I door bestreden besluit II, geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit I. De vraag of een proceskostenveroordeling voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voor kosten van het parkeeronderzoek moet worden uitgesproken, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. De enkele omstandigheid dat in beroep om proceskosten is verzocht, vormt dus geen reden voor het aannemen van procesbelang. [14] Het beroep tegen het bestreden besluit I zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.4
Een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het ontbreken van procesbelang staat er echter niet aan in de weg dat wel kan worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan eiser is tegemoetgekomen. De rechtbank is van oordeel dat het college – door de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog aan eiser te verlenen – aan eiser tegemoet is gekomen. Met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb is daarom een proceskostenveroordeling mogelijk voor kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. [15]
5.5
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser gestelde kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van artikel 1, eerste lid, onder a, van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Zijn adviseur ( [persoon 1] ) was wel op de zittingen aanwezig, maar heeft zich niet gesteld als gemachtigde van eiser. Daarnaast blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [16] dat het verlenen van rechtsbijstand uitsluitend beroepsmatig is als het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening vormt, een bestendig bestanddeel van de totale activiteiten vormt en als oogmerk heeft om daarmee op enigerlei wijze inkomen te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat de door [persoon 1] verleende rechtsbijstand nog niet aangemerkt kan worden als ‘beroepsmatig, omdat hij op zitting heeft toegelicht dat dit de eerste procedure is waarin hij iemand rechtsbijstand verleent. Gelet daarop is nog geen sprake van een duurzame taakuitoefening.
5.6
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser gestelde kosten voor het parkeeronderzoek wel voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal het college daarom veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten van een deskundige die aan eiser verslag heeft uitgebracht. Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb volgt dat een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben op dergelijke kosten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van een deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan het besluit. [17] De omgevingsvergunning was door het college onder andere geweigerd, omdat gevreesd werd voor parkeeroverlast in de omgeving van de nagelsalon. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het inroepen van een parkeerdeskundige door eiser redelijk was. De rechtbank is verder van oordeel dat ook de deskundigenkosten van (€ 2.035,22) redelijk zijn. De vergoeding van deskundigenkosten worden op basis van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het bedrag van € 2.035,22 tot stand is gekomen op basis van een hoger tarief per uur, dan het in het in artikel 6 van Pro het Besluit tarieven in strafzaken opgenomen maximale voor vergoeding in aanmerking komende uurtarief.
6. Beroep tegen bestreden besluit II
6.1
Eiser heeft tegen bestreden besluit II aangevoerd dat het college ten onrechte vergunningvoorschriften heeft verbonden aan de omgevingsvergunning. De voorschriften zijn te beperkend, overbodig en niet doelmatig. De belangen van omwonenden zijn geborgd door het criterium dat de beroepsuitoefening naar omvang ondergeschikt is aan het wonen, d.w.z. niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning (inclusief bijgebouw) en dat het totaal niet meer dan 80 m² in beslag neemt. Het college had gelet daarop en gelet op de afstand tussen de percelen, geen middelvoorschriften (bijvoorbeeld geen maximum aan het aantal motorvoertuigen op etmaalbasis) maar doelvoorschriften (bijvoorbeeld een norm voor geluidsbelasting) aan de omgevingsvergunning moeten verbinden. Eventuele overlast heeft gelet op de grootte van het perceel en de aard van de activiteiten geen perceelsgrens overschrijdend karakter of valt weg tegen de overige activiteiten op of nabij de Goirleseweg.
Toetsingskader
6.2
Uit de Ow [18] blijkt dat in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beoordelingsregels zijn gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat: voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de beoordelingsregels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In een geval als deze – waarin de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het omgevingsplan staat als gevolg van het tijdelijk deel van het omgevingsplan– geldt op grond van artikel 22.281 van het omgevingsplan dat het college ook moet beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [19] Die bepaling is als onderdeel van de bruidsschat opgenomen in het omgevingsplan. Dat betekent dat het college in dat geval een belangenafweging moet maken en ook dient te beoordelen of het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [20]
6.3
Uit de Ow [21] volgt verder dat aan een omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn voor de beoordelingsregels. Hiermee wordt de samenhang die er bestaat tussen het belangenkader voor het beslissen op de aanvraag en de te stellen voorschriften tot uitdrukking gebracht. Voorschriften mogen dat belangenkader niet te buiten gaan. [22]
6.4
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en daar voorschriften aan te verbinden, beleidsruimte toe. Het college moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Beoordeling
6.5
De rechtbank is van oordeel dat het college de voorschriften redelijkerwijs aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden. Uit de voorschriften blijkt dat het college die aan de omgevingsvergunning heeft verbonden met het oog op de beoordelingsregels uit artikel 13.5.4 van de planregels en om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de omgeving van de nagelsalon te waarborgen. Dat maakt de voorschriften naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet overbodig of ondoelmatig. Het soort bedrijf, de openingstijden, het aantal werkplekken en de parkeersituatie zijn aspecten die gevolgen kunnen hebben voor de omgeving rondom de nagelstudio. Intensievere activiteiten, langere openingstijden, meer werkplekken en geen (gebruik van de) parkeerruime op eigen terrein, hebben namelijk een grotere verkeersaantrekkende werking en kunnen leiden tot (meer) parkeer- en verkeersoverlast. Bij een intensivering van de activiteiten kunnen ook eerder (andere) vormen van overlast optreden. Het college heeft de voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen verbinden om onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat rondom de nagelsalon te voorkomen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voorschriften te beperkend zijn voor de uitoefening van zijn bedrijf. De voorschriften maken het voor eiser mogelijk om het door hem aangevraagde bedrijf – een nagelsalon met vier manicuretafels en twee pedicurestoelen – te exploiteren binnen zeer ruime openingstijden: doordeweeks iedere dag van 09:00 tot 22:00 uur ’s avonds en op zaterdagen van 09:00 tot 17:00 uur. Wanneer eiser zijn bedrijf in de toekomst wenst uit te breiden, ligt het op zijn weg om op dat moment de daarvoor vereiste omgevingsvergunning(en) aan te vragen. Gelet op de verkeersaantrekkende werking van een nagelsalon met die omvang, heeft het college ook redelijkerwijs als voorschrift aan de omgevingsvergunning kunnen verbinden dat de nagelsalon zich actief moet inspannen om te bewerkstelligen dat bezoekers en werknemers zoveel als mogelijk parkeren op de op eigen terrein gerealiseerde parkeerplaatsen.
Conclusie
6.6
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaren.
6.7
Voor een proceskostenvergoeding ten aanzien van dat deel van het beroep, bestaat daarom geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.035,22;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Wettelijk kader

Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit.
Artikel 22.1 van de Ow
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet,
de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Omgevingsplan gemeente Tilburg
Artikel 13.1.1 van de planregels
De op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden woningen;
bouwwerken van algemeen nut.
Artikel 13.1.2 van de planregels
De op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:
aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
tuinen en erven;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
parkeer-, stalling- en verkeersvoorzieningen;
groen- en speelvoorzieningen;
objecten voor beeldende kunst;
een beroepsmatige activiteit als een aan huis verbonden beroep.
Artikel 13.5.1 van de planregels
Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming, behoudens vrijstellingen die op grond van deze voorschriften zijn verleend.
Artikel 13.5.2 van de planregels
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 13.5.1, strijdig met de bestemming "Wonen", wordt in ieder geval gerekend voor de uitoefening van enige tak van handel inclusief detailhandel, nijverheid en dienstverlening anders dan volgens het bepaalde in 13.1.
Artikel 13.5.4 van de planregels
Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van de procedureregels in artikel 27.1 vrijstelling verlenen van het bepaalde in 13.5.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de voorschriften behorende Staat van bedrijfsactiviteiten (VNG), in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat:
de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving.
geen vrijstelling wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke onder de werking van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1993, 50) valt, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is;
geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen;
op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt.
voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers;
geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen.
maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80 m2.

Voetnoten

1.Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer: 25/5322.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8202.
3.ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3508, r.o. 3.1.
4.Rechtbank Zeeland West Brabant 24 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8202.
5.Artikel 2.4 van de Omgevingswet (Ow).
6.Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.
7.Artikel 22.1 van de Ow.
8.Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Ow.
9.Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.
10.Artikel 1, vijftiende lid, van de planregels.
11.Artikel 13.5.4 van de planregels.
12.Schoonheidsinstituut (9302) staat genoemd in milieucategorie 1 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de voorschriften behorende Staat van bedrijfsactiviteiten (VNG).
13.ABRvS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1087, r.o. 4.2.
14.ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3287, r.o. 3.3.
15.ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3287, r.o. 4.
16.ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:542, r.o. 21.
17.ABRvS 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:304, r.o. 1.2.
18.Artikel 5.18, eerste lid, en artikel 5.21 van de Ow.
19.Artikel 22.1, onder c, in samenhang met artikel 22.2, eerste lid, van de Ow en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit omgevingswet en het daarin opgenomen artikel 22.281 van het omgevingsplan.
20.ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3003, r.o. 19.2 en ABRvS 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, r.o. 14 en [persoon 3] , ‘Commentaar op art. 8.0a van het Bkl’, in [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] (red.), Tekst en commentaar Omgevingswet, Deventer, Kluwer 2025.
21.Artikel 5.34, eerste lid, van de Ow.