Uitspraak
n 202401758/1/A2.
BESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
Appellante A en appellant B hebben bezwaar gemaakt tegen verschillende verkeersbesluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Appellant B is sinds 1956 actief in transport, en appellante A is een commanditaire vennootschap die vrachtvoertuigen verhuurt en repareert. Sinds 2006 zijn de bedrijfsactiviteiten van appellante A stilgelegd vanwege belastingaanslagen die niet betaald konden worden.
De Afdeling constateert een patroon van misbruik van recht door appellante A en appellant B, waarbij zij procedures voeren zonder materieel belang, gericht op het verkrijgen van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen. Dit wordt bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling en het Gerechtshof Amsterdam. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat de verkeersbesluiten de bedrijfsvoering daadwerkelijk hinderen, mede omdat appellante A al lange tijd geen economische activiteiten ontplooit.
Verder oordeelt de Afdeling dat de rechtsbijstand verleend door zoon en persoon niet als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt vanwege nauwe verwevenheid en twijfel over professionaliteit. Hierdoor is ook geen recht op proceskostenvergoeding.
De hoger beroepen in vijf zaken worden niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De Afdeling waarschuwt dat bij toekomstige misbruikzaken kostenveroordelingen kunnen volgen.
Uitkomst: De hoger beroepen van appellante A en appellant B worden niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.