ECLI:NL:RBZWB:2026:5526

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2515
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WVWArt. 12 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeerArt. 3:4 AwbBeleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen locatie gehandicaptenparkeerplaats op kenteken in Breda

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om een gehandicaptenparkeerplaats (GPP) op naam toe te wijzen ter hoogte van een specifieke locatie in Breda. Eisers zijn het niet eens met de gekozen locatie en beroepen zich onder meer op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat het college het besluit heeft genomen op basis van de Beleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken 2019, waarbij de GPP binnen een maximale loopafstand van 100 meter van het woonadres wordt geplaatst en op bestaande parkeerplaatsen. Het college heeft gemotiveerd waarom de door eisers voorgestelde alternatieve locatie op de stoep niet geschikt is, onder meer vanwege verkeersveiligheid, doelmatigheid van de weg en het gebruik van de locatie voor minicontainers.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is verworpen omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn; de situatie in een andere straat waar GPP’s op de stoep zijn geplaatst betreft een andere context en een legalisatie van bestaande parkeerplaatsen. De rechtbank concludeert dat het college geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsruimte en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de locatie van de gehandicaptenparkeerplaats wordt ongegrond verklaard en het verkeersbesluit bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25 /2515 BELEI

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] (eiser 1) en [eiser 2] (eiser 2), uit [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats (GPP) op naam. De parkeerplaats is door het college aangewezen ter hoogte van de [adres 1] . Eisers zijn het niet eens met de locatie van de GPP. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden een GPP heeft aangewezen ter hoogte van de [adres 1]
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 20 maart 2025 (bestreden besluit) waarbij het bezwaarschrift van eisers gericht tegen de toekenning van de GPP ongegrond is verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en namens het college mr. R.A.M. van Loon, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikt die nodig is om het onderzoek ter zitting te kunnen afronden. Het college heeft twee weken de tijd gekregen om nadere stukken te overleggen inzake de beoordeling van het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel.
2.4.
Op 15 oktober 2025 heeft het college een aanvullende motivering ingediend bij de rechtbank ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
2.5.
Bij brief van 24 oktober 2025 hebben eisers de mogelijkheid gekregen om binnen twee weken te reageren op de nadere motivering van het college. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.
2.6.
De rechtbank sluit met deze uitspraak het onderzoek ter zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3.1.
Eisers wonen aan de [adres 2] (eiser 2) respectievelijk de [adres 1] (eiser 1) te [woonplaats] . Eiser 2 heeft op 10 juni 2024 een aanvraag gedaan voor de aanleg van een GPP.
3.2.
Voorafgaand aan het primaire besluit heeft het college advies gevraagd aan de politie. Op 23 juli 2024 heeft de politie laten weten positief te adviseren op het voorgenomen verkeersbesluit.
3.3.
Met het besluit van 26 juli 2024 (primair besluit) heeft het college besloten om één parkeerplaats in de [straat 1] aan te wijzen als individuele gehandicaptenparkeerplaats, door het plaatsen van het bord E6 met het onderbord OB309. De parkeerplaats wordt aangewezen ter hoogte van de woning met huisnummer [huisnummer 1] .
3.4.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.5.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit
4.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op goede gronden een GPP op naam is toegekend ter hoogte van de [adres 1] te [woonplaats] . De Beleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken [woonplaats] 2019 (Beleidsregels) bepalen dat de GPP zo dicht mogelijk (loopafstand van maximaal 100 meter) bij het woonhuis van eiser 2 wordt geplaatst. Daarnaast wordt conform de Beleidsregels een GPP geplaatst op bestaande parkeerplaatsen. De door het college gekozen locatie voldoet aan beide eisen van de Beleidsregels.
4.2.
Artikel 2, derde lid, onder e van de Beleidsregels bepaalt dat een GPP geen negatief effect mag hebben op de doelmatigheid, doorstroming en verkeersveiligheid van de weg. Het plaatsen van een GPP op de stoep tast de doelmatigheid van de weg dusdanig aan dat dit eigenlijk geen alternatieve locatie is voor de GPP. Het zorgt er ook voor dat het zicht van de omwonenden minder wordt wat gevaarlijk kan zijn. Tevens is de door eisers voorgestelde locatie bedoeld voor de minicontainers zodat deze geleegd kunnen worden. Ten slotte slaagt het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel niet, omdat geen sprake is van gelijke gevallen.
Beroepsgronden
5.1.
Eisers zijn het niet eens met de locatie van de geplaatste GPP. Gelet op de infrastructuur is het logischer om de GPP direct voor de woning van eiser 2 en op de stoep te plaatsen, zodat eiser 2 makkelijker kan in- en uitstappen. Daarnaast heeft het college de locatie voor de woning van eiser 2 pas na de indiening van het bezwaarschrift aangemerkt als verzamelpunt voor minicontainers. Verder beslaat de GPP die het college nu heeft geplaatst bij nummer [huisnummer 1] en [huisnummer 2] een lengte van zes meter, waardoor ook de bewoner van nummer [huisnummer 2] hinder ondervindt.
5.2.
Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel en wijzen op vergelijkbare situaties binnen [woonplaats] , zoals de [straat 2] . In de [straat 2] zijn GPP’s en reguliere parkeerplaatsen op de stoep aangelegd. Het college stelt dat deze situatie voortkomt uit een vijf jaar oud plan om de straat te vergroenen, maar dit is in de praktijk niet het geval. Het college heeft derhalve ten onrechte het gelijkheidsbeginsel geschonden.
Oordeel van de rechtbank
Procesbelang
6.1.
Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de eiser voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de eiser die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers een procesbelang bij de behandeling van hun beroepsprocedure. Dit belang is er in gelegen dat er één (algemene) parkeerplaats minder is in de woonstraat van eisers die alleen door eiser 2 kan worden gebruikt en dus niet meer beschikbaar is voor alle bewoners van de straat.
Wettelijk kader
7.1.
Het college heeft met toepassing van artikel 15, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) een verkeersbesluit genomen tot plaatsing van een bord waarmee de GPP is aangegeven. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde begrippen. [2] De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
7.2.
In artikel 1, onder e, van de Beleidsregels staat dat onder een GPP moet worden verstaan: een gereserveerde individuele gehandicaptenparkeerplaats nabij het adres van de aanvrager, voorzien van een bord E6 zoals in bijlage I van het RVV 1990 is aangegeven en een onderbord met vermelding van het kentekennummer.
7.3.
Op grond van artikel 2, tweede lid van de Beleidsregels bepaalt het college op welke locatie de GPP wordt aangelegd.
7.4.
In artikel 6 van Pro de Beleidsregels zijn regels omtrent de locatie van de GPP vastgesteld. De criteria luiden als volgt:
1. Een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt in beginsel aangelegd binnen de maximale loopafstand die aangehouden wordt als criterium in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
2. De gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt zo ingericht dat er geen verkeersonveilige situaties ontstaan en de bereikbaarheid van de weg niet belemmerd wordt.
Omvang van het geding
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser 2 recht heeft op een GPP. Tussen partijen staat enkel de locatie van de GPP ter discussie.
Gekozen locatie
9.1.
Eisers voeren aan dat het gelet op de infrastructuur logischer is om de GPP direct voor de woning van eiser 2 te plaatsen. Dit houdt in dat de GGP op de stoep moet worden gesitueerd in plaats van in een parkeervak. Hierdoor kan eiser 2 makkelijker in- en uitstappen en eventueel in de toekomst nog gebruikmaken van een rolstoel.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college op goede gronden heeft gemotiveerd dat de locatie van de huidige GPP voldoet aan de criteria uit artikel 6 van Pro de Beleidsregels. Het college heeft daarmee conform de Beleidsregels gehandeld. Ook heeft het college voldoende onderbouwd waarom de door eisers voorgestelde alternatieve locatie niet geschikt is. Het college heeft daartoe overwogen dat het plaatsen van een GPP op de stoep de doelmatigheid van de weg dusdanig aantast dat dit geen alternatieve locatie is voor de GPP. Daarnaast vindt het college dat het zicht van de omwonenden verminderd zal worden, wat gevaarlijk kan zijn. Verder is de alternatieve locatie bedoeld voor de plaatsing van minicontainers, als deze worden opgehaald. Als dit niet meer zou bestaan, dan worden alle containers weer door heel de straat verspreid en moet de vuilniswagen vaker optrekken en stoppen. Dit kan vervolgens weer zorgen voor nadelige effecten op de doorstroming en de verkeersveiligheid. Door deze motivering aan het besluit ten grondslag te leggen heeft het college aldus voldoende gemotiveerd waarom deze locatie is aangewezen.
Gelijkheidsbeginsel
10.1.
Eisers voeren aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In vergelijkbare straten in [woonplaats] , zoals de [straat 2] , zijn GPP’s en reguliere parkeerplaatsen op de stoep aangelegd.
10.2.
Het college stelt dat geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat het niet gaat om gelijke gevallen. De situatie in de [straat 2] is niet gelijk aan die van de [straat 1] .
10.3.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel, is het noodzakelijk dat sprake is van rechtens gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van rechtens gelijke gevallen. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat in het geval van de [straat 2] sprake is van een andere situatie. Het ging in deze situatie om het legaliseren van de parkeerplaatsen in de [straat 2] op de stoep op die betreffende plaats in de [straat 2] met tegelijkertijd het aanwijzen van een GPP die in die periode is aangevraagd. In de situatie van de [straat 2] was er sprake van een concreet zicht op legalisatie. Doordat de parkeerplaatsen ‘bestaande’ parkeerplaatsen waren, is er niet afgeweken van het geldende beleid. Aldus heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren, omdat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten om de GPP aan te wijzen ter hoogte van de [adres 1] te [woonplaats] . Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 15, eerste lid
De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer
Artikel 12, sub a, onder I
De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
a. de volgende borden:
de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;
Beleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken [woonplaats] 2019
Artikel 1 Begripsbepaling Pro, onder e
Gehandicaptenparkeerplaats op kenteken: Een gereserveerde individuele gehandicaptenparkeerplaats nabij het adres van de aanvrager, voorzien van een bord E6 zoals in bijlage I van het RVV 1990 is aangegeven en een onderbord met vermelding van het kentekennummer;
Artikel 2 Aanvraag Pro verkeersbesluit gehandicaptenparkeerplaats op kenteken
1. Het toekennen of afwijzen van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken vindt plaats via een besluit. Dit houdt in dat een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt behandeld op basis van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Het college kan naar aanleiding van een aanvraag besluiten om een verkeersbesluit te nemen waarbij een bepaalde locatie als gehandicaptenparkeerplaats voor de aanvrager wordt aangewezen.
3. Het college besluit alleen tot het toekennen van een gehandicaptenparkeerplaats indien:
de aanvrager inwoner is van de gemeente Breda en ingeschreven staat op een adres in [woonplaats] ; en
de aanvrager in het bezit is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder of passagier; en
de aanvrager of huisgenoot in het bezit is van een geldig rijbewijs voor het betreffende voertuig; en
e aanvrager en de eigenaar van het motorvoertuig waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd, zijn ingeschreven op hetzelfde adres; en
naar het oordeel van het college de aanleg van de gehandicaptenparkeerplaats geen negatief effect heeft op de doelmatigheid, doorstroming en verkeersveiligheid van de weg. Voor zover noodzakelijk kan dit onderbouwd worden met een verkeerskundig onderzoek; en
naar het oordeel van het college de gehandicaptenparkeerplaats zonder of met eenvoudige aanpassingen van de inrichting van de straat, het straatprofiel, inclusief groen kan worden aangelegd; en
de aanvrager niet beschikt over een eigen parkeervoorziening.
4. Onder eigen parkeervoorziening wordt in ieder geval verstaan:
een oprit op eigen terrein met een minimale lengte van 5.50 meter en een breedte van 2.50 meter;
eigen terrein dat geschikt is of geschikt is te maken voor parkeren op eigen terrein;
een parkeerplaats in een parkeergarage die is gebouwd (mede) ten behoeve van de woning;
een parkeerplaats op terrein van de Vereniging van Eigenaren;
en garage/stalling op eigen terrein.
5. Er kan per persoon maximaal één gehandicaptenparkeerplaats voor maximaal één adres worden aangelegd.
6. Voor de volgende handelingen brengt het college leges in rekening:
de behandeling van een aanvraag gehandicaptenparkeerplaats op kenteken;
de behandeling van een aanvraag wijziging kenteken;
de behandeling van een aanvraag verhuizing;
e aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats;
de verplaatsing van een gehandicaptenparkeerplaats in verband met verhuizing;
de wijziging van de bebording gehandicaptenparkeerplaats vanwege wijziging van het kenteken van het voertuig dat daar geparkeerd wordt.
7. Het toekennen/afwijzen van een aanvraag is een besluit dat valt onder de bezwaar en beroepsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Het aanwijzen van een locatie als gehandicaptenparkeerplaats is een verkeersbesluit op basis van artikel 12 van Pro het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.
Artikel 6 Locatie Pro gehandicaptenparkeerplaats op kenteken en verkeersveiligheid
1. Een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt in beginsel aangelegd binnen de maximale loopafstand die aangehouden wordt als criterium in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
2. De gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt zo ingericht dat er geen verkeersonveilige situaties ontstaan en de bereikbaarheid van de weg niet belemmerd wordt.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489.